Ingezonden brieven en correcties

Grr

Correcties, aanvullingen en stommiteiten

Bij de publicatie van de Willem Dreeslezing, gehouden door David Marquand (De Groene van 29 april) hebben wij verzuimd te vermelden dat deze eveneens is gepubliceerd in het maandblad Socialisme & Democratie.

Bij het In Memoriam van Hélène Nolthenius is door een betreurenswaardig misverstand de verkeerde foto afgedrukt, waarvoor onze verontschuldigingen. Het onderstaande portret is wel van Hélène Nolthenius.



Wilhelm II

In zijn artikel ‘Droomtribunaal’ (De Groene van 6 mei) formuleert Evert Nieuwenhuis zijn scepsis tegenover het Haagse icc, dat zijns inziens 'vooralsnog een doodgeboren kind’ is. Dit lijkt me een even trieste als realistische taxatie.

Tegenover deze passage: 'Na de Eerste Wereldoorlog is bijvoorbeeld overwogen keizer Wilhelm II te vervolgen voor oorlogsmisdaden, maar er waren onvoldoende rechtsregels om dergelijke vervolgingen te effectueren’, heb ik echter bezwaar. De geallieerde overwinnaars hebben in artikel 227 van het Verdrag van Versailles (volgens de Duitsers veeleer een 'dictaat’) wel degelijk de uitlevering door de Nederlandse regering geëist van de gewezen Duitse keizer 'for a supreme offence against international morality and the sanctity of treaties’.

Deze even pompeuze als vage omschrijving betrof minder de door de Keizer bedreven of gesanctioneerde 'oorlogsmisdaden’ dan zijn verantwoordelijkheid voor het uitbreken van de oorlog, waar bijna de hele naoorlogse discussie over de 'War Guilt’ of 'Kriegsschuldfrage’ om heeft gedraaid. Tot een proces tegen de Keizer kwam het tenslotte niet, omdat onze regering, om verschillende redenen, zijn 'uitlevering’ heeft geweigerd.

De geallieerde eis lag echter voor de hand, al was het maar omdat een massieve – en vooral visuele – oorlogspropaganda in Wilhelm II een dankbare schietschijf had bezeten. Deze overtrof zelfs alle agitatie tegen de persoon van Hitler in de volgende wereldoorlog.

E.M. JANSSEN PERIO

Rotterdam



Duizend-en-één nacht

Hafid Bouazza bespreekt (De Groene van 29 april) De vertellingen van duizend-en-één-nacht. Van Leeuwens Duizend-en-één-nacht-vertaling (3318 blz.) is de afgelopen zeven jaar door recensenten besproken van wie mij niet bekend is of zij over de juistheid van de vertaling een oordeel kunnen hebben, op de arabist Wim Raven na. Die schreef op 19-3-1999 in NRC Handelsblad over Van Leeuwens werk: 'een vertaling die zich uitstekend kan laten zien naast de enige andere serieuze vertaling’ (Littmann, 1928).

Maar wat nu te denken van Hafid Bouazza’s bijdragen aan dit 'vertaaldebat’? Zijn Groene-bespreking is onnavolgbaar, grof van toon en beledigend voor de vertaler en zijn uitgever (in navolging van de meeste andere Duizend-en-één-nacht-vertalers is Van Leeuwen een verkrachter en verminker van de tekst, lui en hij zou geen Arabisch kennen). In zijn bespreking in Trouw van 15 maart schrijft Bouazza nog dat Van Leeuwen 'een goede kandidaat is voor de Martinus Nijhoff-prijs’ en dat 'Nederland nu een uitmuntende vertaling (heeft)’. Nog geen zes weken later heet het in De Groene 'dat Nederland geen enkele reden heeft om trots te zijn op de eerste vertaling direct uit het Arabisch’.

Ook op 15 maart, tijdens de presentatie in de Nieuwe Kerk van de paperbackuitgave van uitgeverij Bert Bakker, hield Bouazza een publieke lofrede op Van Leeuwens Duizend-en-één-nacht-vertaling. Het is verder opmerkelijk dat zowel de positieve als negatieve oordelen gebaseerd zijn op identieke passages in de vertaling, afkomstig uit een en hetzelfde verhaal.

De vraag dringt zich op wat Bouazza bezielt? Ik weet het niet, en ik vraag me af of hij het zelf weet. Wat De Groene heeft bewogen deze bespreking af te drukken, is een even groot raadsel.

JOOST VAN SCHENDEL, UITGEVER

Amsterdam