Ingezonden brieven

Grr

Kohnstamm

Dolph Kohnstamm heeft gelijk (´Multicultuur op steltenª, De Groene van 12 april): ondanks de pijnlijke geschiedenis van rassensuperioriteit, wat niet alleen in de jodenvervolging tot uitdrukking is gekomen maar ook in het kolonialisme, is er geen enkele reden om een debat over de mogelijk genetische bepaaldheid van sociale prestaties uit de weg te gaan. De sociale wetenschappen (in Europa althans) hebben dit naoorlogse taboe gerespecteerd, alsof het onderzoek naar genetische aspecten stilstaat of niet van belang is. Ontwikkelingen in de biotechnologie of in de geneeskunde maken duidelijk dat het tegendeel het geval is. Het belang van het onderzoek naar genen of de manipulatie ervan staat vast. Maar heeft het zin om erfelijkheidstheorieën toe te passen op sociaal-economische ontwikkelingen als daarvoor meer plausibele verklaringen bestaan?

De grote economische verschillen in de wereld wijt Kohnstamm aan verschillen in werklust en klimaat. Hij noemt in dit verband China en Indonesië, suggererend dat de natuur de Chinezen gunstiger heeft bejegend dan de Indonesiërs. Nu zijn economische verschillen beter te verklaren uit verschillen in arbeidsproductiviteit dan uit verschillen in klimaat. Dat verschil in arbeidsproductiviteit is in sterke mate afhankelijk van de gebruikte technologie. Een luie Ghanees met een personal computer produceert toch nog meer tekst dan een ijverige Hollander met een typemachine. Het gemak waarmee die productie tot stand komt maakt het werken tot een lust. Verdubbel daarnaast het inkomen van de Ghanees en diens werklust stijgt met sprongen. Voor nationale economische successen is de werklust minder relevant, wel de arbeidsinzet. De economische tijgers in Azië maken duidelijk dat de combinatie van geavanceerde technologie en verplichtende arbeid spectaculaire economische successen niet in de weg staat.

Maar genoeg over economische verschillen. Kohnstamm verwijst immers ook naar verschillen in schoolprestaties tussen allochtone en autochtone kinderen. In feite gebruikt hij de koloniale theorieën over economische ongelijkheid om verschillen in schoolprestaties te verklaren. Hij wil de mogelijkheid openhouden om die verschillen te begrijpen uit een verschil in intelligentie en werklust. Geen probleem. In het verleden heeft men immers niet alleen andere volkeren voor minder intelligent en minder ijverig uitgemaakt, maar ook vrouwen, boeren, arbeiders en andere groepen in eigen land. Waarom dan geen allochtonen? De sociale stijging van individuen uit deze groepen spreekt de ´intelligentie-en-werklust-theorieª tegen, maar tenminste in dit opzicht zijn allochtonen gelijk aan andere autochtone groepen.

Stel dat een kolonie van honderdduizend Nederlandse arbeiders zich in Pakistan vestigt. Hun kinderen bezoeken Pakistaanse scholen waar het onderwijs in het Urdu wordt gegeven. Zouden de Nederlandse arbeiderskinderen beter scoren dan de Pakistaanse? Het lijkt me sterk, werklust of geen werklust. Een vergelijking van de schoolprestaties van deze Nederlandse kinderen met de Pakistaanse gaat echter mank, omdat kinderen van de arbeidersklasse worden vergeleken met die van de hele Pakistaanse bevolking, van hoog tot laag. Afgezien van culturele verschillen die een dergelijke vergelijking nog gewaagder maken, is dit de reguliere praktijk in Nederland. De conclusie of zelfs de suggestie dat erfelijke factoren de verschillen verklaren is een brug te ver.

Er is nog een reden om de erfelijkheidstheorie in deze kwesties te laten voor wat zij is. Genetici als Hans Galjaard wijzen er steevast op dat de verschillen binnen groepen groter zijn dan tussen groepen. Ook Kohnstamm verzuimt niet erop te wijzen dat een etnische groep of ras met dezelfde erfelijke eigenschappen onderling meer verschilt dan met andere groepen. Maar dat betekent dat de erfelijke eigenschappen aan verklaringskracht inboeten. Want ondanks het gemeenschappelijke erfelijk materiaal zijn de verschillen binnen de eigen groep groter dan met groepen die niet over die erfelijke eigenschappen beschikken.

Goed, zegt Kohnstamm, het onderwerp is helaas geladen, maar je mag toch hypothesen formuleren? Tegelijkertijd meent hij dat het wetenschappelijk bewijs voor het bestaan van een erfelijke invloed op de ontwikkeling van sommige gedragspatronen, capaciteiten en vaardigheden voldoende is geleverd. Waarom dan hypothesen formuleren? En als hij dat toch niet kan laten, de hypothesen vragen om toetsing. Is die toetsing niet mogelijk, dan rijst de vraag waarom juist deze bekende hypothesen worden geformuleerd. Een hypothese die niet verworpen of bevestigd kan worden, blijft in de lucht hangen.



RUBEN GOWRICHARN, Amsterdam