Ingezonden brieven

Grr

Kenniseconomie (1)

«Het knelpunt van de kenniseconomie ligt dus eerder in het vmbo dan op de universiteit», stelt Ben Ligteringen in zijn essay over de kenniseconomie (in De Groene Amsterdammer van 29 mei). Met alle respect, maar hiermee slaat hij volgens mij de plank behoorlijk mis. Niet alleen is zijn stelling geen logische gevolgtrekking uit zijn verhaal, het is bovendien niet waar. De crux van de kenniseconomie ligt heel ergens anders: op een punt dat Ligteringen eerder glashelder analyseert. Hij laat zien dat Nederland sterk is in patenten en publicaties, maar zwak in de geringe interesse in een wetenschappelijke loopbaan en in de achterblijvende vermarkting van de patenten.

Nu wordt de geringe interesse gecompenseerd door hooggeleerde immigratie (inmiddels is de helft van de promovendi afkomstig uit landen als Polen, Wit-Rusland en India), maar de werkelijke flessenhals van de kenniseconomie is het gat tussen universiteiten en bedrijven. Een enkele uitzondering daargelaten bekijken bedrijfsleven en universiteiten elkaar in Nederland nog met veel argwaan. Bedrijven eisen medewerking van de universiteiten omdat die uit algemene middelen betaald worden en zich dus voor het algemeen welzijn zouden moeten inzetten. Universiteiten anderzijds spelen graag de kaart van de onaantastbare academische vrijheid.

In Finland hebben ze dat probleem twintig jaar geleden al opgelost. Onderzoeksgeld wordt daar voor de helft toegekend aan fundamenteel onderzoek en de andere helft aan toegepast onderzoek. Wie academische vrijheid wil, klopt dus bij het eerste potje aan. Het toegepaste fonds (Tekes met een jaarlijks budget van 380 miljoen euro) koppelt onderzoekers van universiteiten aan het bedrijfsleven, doordat alleen subsidie toegekend wordt aan een partnerschap van beiden. Deze eenvoudige truc zorgt ervoor dat onderzoekers met hun ideeën op zoek gaan naar bedrijven die er iets in zien. Toegepast onderzoek blijft op die manier gefocust. Tekes betaalt bij een project tachtig procent van het onderzoek, het bedrijf dus maximaal twintig procent (en minder als er meer bedrijven aan meedoen). Genoeg investering om daadwerkelijk interesse te moeten hebben en te weinig om zeggenschap te claimen over het onderzoek.

Het Nederlandse innovatie platform zou met het Finse model het contact tussen universiteiten en bedrijven aanzienlijk kunnen bevorderen. Het is een raadsel waarom dat niet gebeurt.

Het probleem van de kennis economie ligt dus niet in het vmbo. Het vmbo heeft talloze andere problemen. Het is te hopen dat deze dinosaurus van het gelijkheidsdenken snel zal worden aangepast aan de tijd en aan de behoeften van de leerlingen. Maar vmbo’ers aanmerken als kenniswerkers is net zoiets als Big Brother, ecstasy en nederwiet aanprijzen als Nederlandse innovaties. Kenniseconomie is het vermarkten van kennis, het gebruik van technische vindingen om nieuwe producten en diensten te maken. Zulke vindingen (cd, dvd, umts, Bluetooth) stammen in het algemeen niet uit het vmbo.

Vreemd genoeg zijn Nederlanders op alle andere terreinen geweldige handelaars, maar niet op het gebied van kennis. Toch zal dat snel moeten gebeuren om al die vmbo’ers aan de slag te helpen.

JOS WASSINK

wetenschapsredacteur VPRO

Kenniseconomie (2)

Het essay van Ben Ligteringen is het eerste dat ik heb gelezen waarin op zeer intelligente wijze wordt beschreven wat onze sterkte en zwakte is en hoe moeilijk het zal zijn om als Nederland er weer bovenop te komen.

R. MIDDEL, Posterholt