Ingezonden brieven

Grr

Lof der poëzie

Naar aanleiding van «Lof der Poëzie» door Piet Gerbrandy (in De Groene Amsterdammer van 22 mei) enige kanttekeningen. Gerbrandy zegt dat een gedicht een overredingsmachine is. Overreden (met rationele of rationeel overkomende argumenten) is het doel van de pleiter, de advocaat. Poëzie daarentegen is doorgaans geen pleidooi maar incantatie, dat wil zeggen een magische compositie gebaseerd op beeldspraak, taalgebruik, ritme en klank. Niet betogen maar tonen.

Verder komt in Gerbrandy’s betoog de bewering voor dat het gedicht zelf niets is. Citaat: «Het gedicht dat zelf niets is (cursivering van mij) vereist de volledige toewijding van de lezer om tijdens de interpretatie tot bloei te kunnen komen. Van zijn kant gaat de lezer ervan uit dat de dichter hem iets wil mededelen, zelfs als hij (…) in raadselen spreekt.» Welnu als het gedicht niets is, valt er niets te interpreteren. Een gedicht is echter wel iets, namelijk: een tekst, een geheel van woorden. Als de dichter «iets wil meedelen», is het gedicht dus niet niets, maar iets.

Nog een punt. Gerbrandy valt met name twee uitgevers aan (De Arbeiderspers en Van Oorschot) en met name vier dichters, drie van de vier zijn vrouw. Hij verwijt de uitgevers «brave leesclubpoëzie» te publiceren, de dichters «broddellapjes» te produceren. Kortom, uit te zijn op tevreden lezers, ja-knikkers. Hij bewijst echter het beweerde niet: geeft titels noch citaten zodat ik niet weet wat ik hiermee aanmoet. Trouwens: wat is er mis met een tevreden lezer?

Gerbrandy houdt (en dat is zijn goed recht) van burgerrust verstorende, ontregelende poëzie. Ik ook, hoewel zeker niet uitsluitend, zolang die poëzie goed is. Niet-originele poëzie gaat bij mij de prullenbak in. Alleen kwaliteit, en met name authenticiteit en intensiteit tellen. En wat in dit verband onder een ja-knikker moet worden verstaan, is mij niet duidelijk.

Toch kan ik de poëzie criticus in zijn werk gewoonlijk niet negatief beoordelen. Ik merk dan dat deze «hooggeleerde vos» niet de passie die hij preekt ook zelf praktiseert. Gelukkig maar! En wat hij bijvoorbeeld ooit over Vergilius schreef, was mij uit het hart gegrepen. Zijn stukken op het klassieke vakterrein zijn verreweg het interessantst. Maar soms, wanneer hij het over hedendaagse versregels heeft, snap ik niet wat hij daaraan nou precies mooi, boeiend of spannend vindt. Dat wordt niet duidelijk gemaakt. Dan ben ik geneigd te zeggen: kraanwater gepresenteerd als de mooiste Chateau Margaux. Gemeentepils in plaats van champagne.

THOMAS PANHUIJSEN, Den Haag

Geestelijke kloof

In uw «Ten geleide» van de overigens prachtige boekenbijlage van mei/juni 2004 schrijft u over recensenten onder meer: «Om mensen wier oordeel ertoe doet, wier oordeel niet uit de lucht komt vallen omdat dat zich niet gisteren maar in een lange reeks van jaren heeft ontwikkeld.» Vast waar, maar zeggen politici dat ook niet, zo van «wij weten wel wat goed voor u is»? Beroepspolitici zullen niet veel anders zijn dan beroepsrecensenten en enige beroepsdeformatie is hen dus niet vreemd. Immers ook tussen recensent en lezer gaapt menigmaal een flinke kloof. Hoe komt het overigens dat de «topsporters van de geest» altijd mijlenver afstaan van gewone mensen terwijl de «topsporters van het lichaam» juist niet? Of is deze cerebrale kloof niet te overbruggen? Behalve natuurlijk door het opperwezen: die is én hoogbegaafd én liefhebber van gewone mensen.

Tja, daar kan Michaël Zeeman met thuis twintigduizend boeken vast niet tegenop. Maar intellectuele vadsigheid, lijdend aan een geestelijk overgewicht, is natuurlijk net zo ongezond en visueel onaantrekkelijk als een te dik vet lijf. Immers, dienen lichaam en geest niet in evenwicht met elkaar te zijn?

ADRIAAN SLOOFF, Arnhem

Leeuwerik

«De Leeuwerik» van Ton Lemaire confronteert Ger Groot (in De Groene Amsterdammer van 5 juni)met de excentrische positionaliteit van de mens. Als natuurwezens verstaan we het lied van de leeuwerik, als cultuurwezens horen we tegelijk daarin een appèl onszelf te corrigeren. De stadsmens in Ger Groot lukt dat maar half en niet zeer consequent.

Wellicht kan een gedicht van Adorno hem daarbij helpen. Smachtend van verlangen terug te kunnen keren naar zijn geliefde maar verwoeste Franken schrijft Adorno op 10 september 1945 in Los Angeles Lerche. Het verlangen naar het historische landschap is in deze drie kwatrijnen niets minder dan identiek met de beloofde verzoening van natuur en cultuur.

Lerche der Kindheit, im Himmel Vergessene,

Troestende die in den Abend stieg

Spaerliche Botin ans Unermessene

Lang vor dem Krieg:

Und Du steigst noch wie damals in Franken,

Nun da ich sinke ins Kalte hin,

Schwachen Armes der Leichten zu danken,

Die mir verziehn.

Golden im grauen Daemmer Versponnene,

Triller zum Monde der gut uns war,

Fliegerin du der das Dunkelnde klar,

Unverzagte uns selig Gewonnene Lerche Entronnene.

HONORE SCHELFHOUT, Nijmegen