Ingezonden brieven

Grrr

Correcties, aanvullingen en stommiteiten

In het artikel over de Amsterdamse politiecommissaris Ad Smit in De Groene van 9 december zijn ongerechtigheden geslopen. De commissaris liet ons weten niet aanwezig te zijn geweest tijdens de politie-inval in de moskee aan de Zeeburgerdijk. Evenmin heeft hij eigenhandig een anti-auto-activist van de fiets gemept, zoals in het artikel abusievelijk staat gemeld. Onze excuses.

In het artikel «Eerst een doodsexamen» (in De Groene van 16 december) is een onduidelijkheid geslopen. Tussen het aantal verzoeken en het aantal gevallen van actieve euthanasie zit een grote discrepantie. De zinsnede: «de beide verpleeghuisartsen, die herhaaldelijk te maken krijgen met euthanasie en hulp bij zelfdoding (…)» moet dan ook luiden: «(…) die herhaaldelijk te maken krijgen met verzoeken tot euthanasie en hulp bij zelfdoding (…)».

Drees

In zijn artikel «Tegen de genotzuchtige aspecten» (in De Groene Amster dammer van 9 december) maakt Martin van Amerongen enkele opmerkingen over ds’70. Mede aan de hand van de autobiografie van Wim Drees komt ook mijn rol ter sprake. Hoewel ik nog niet toe ben aan memoires lijkt het mij ter wille van de historische juistheid der dingen gepast reeds thans het geschetste beeld enigszins te corrigeren.

Laat ik voorop stellen altijd grote waardering te hebben gehad voor het werk van Wim Drees als econoom. In woord en geschrift heb ik daarvan doen blijken. Omgekeerd was dit bepaald niet het geval, maar deze situatie heeft nimmer afbreuk gedaan aan mijn bewondering voor de vele constructieve ideeën van Wim Drees, in het bijzonder op het terrein van de openbare financiën. Van mening verschilden wij vaak over de dosering en de timing van het uitvoeren van nuttige plannen, zoals het verhogen van collegegelden en van parkeergelden. Daarin stond ik bepaald niet alleen tegenover Wim Drees. Maud de Brauw, Jan Berger en ik trokken in dit opzicht altijd één lijn tegenover Wim Drees.

Zowel in de fractie als in het hoofdbestuur wekte de drang van Wim Drees in een politiek en maatschappelijk te hoog tempo zijn uitstekende plannen uit te voeren, grote irritatie. In zijn autobiografie voert Drees mij anoniem op als een lid van het hoofdbestuur, dat hem zou hebben verweten geen zionist te zijn. Dit is uiteraard onzin, daar het zijn van zionist is voorbehouden aan burgers van joodse afkomst, die zich in Israël willen vestigen. Nog in een ander opzicht geeft Drees een niet-correcte voorstelling van zaken. Ik ben nooit economisch adviseur van de fractie van ds’70 geweest. Deze positie kon ik dus ook niet kwijtraken toen Drees na de val van het kabinet-Biesheuvel weer fractievoorzitter werd. Wel heb ik over de economische aspecten van het beleid op strikt persoonlijke basis intensieve gesprekken gevoerd met Jan Berger en Maud de Brauw, die als minister voor Wetenschaps beleid optrad. Deze gesprekken zijn ook na de terugkeer van Wim Drees als fractievoorzitter doorgegaan, zodat van teleurstelling mijnerzijds in dit opzicht nooit sprake is geweest.

Martin van Amerongen bewijst mij te veel eer met zijn mening dat ik veel heb bijgedragen aan de desintegratie van ds’70. Behalve de goede samenwerking met vele anderen dan Wim Drees, wijst ook mijn rol als lid van Provinciale Staten van Noord-Holland in een andere richting. Bij de benoeming van Roel de Wit tot commissaris van de koningin in 1974 was mijn stem voor hem in de vertrouwenscommissie beslissend.

De val van het kabinet-Biesheuvel, waarmede de desintegratie van ds’70 is begonnen, is bepaald niet aan mij te wijten. De persoonlijke verhoudingen waren in het kabinet ernstig verstoord door de bijzondere kwaliteiten van Wim Drees. Door zijn hoge functie op het ministerie van Financiën en door zijn scherpzinnigheid was Drees een lastige tegenspeler van zijn collega’s in het kabinet, omdat hij op goede gronden alles beter wist. Bovendien was hij van nature moeilijk bereid een compromis te sluiten, zelfs in situaties waarin de politieke condities daarvoor gunstig waren. Uit de autobiografie van Wim Drees komt duidelijk naar voren dat hij met Jan Berger een moeilijke en nauwelijks werkbare verhouding had. Met name over het loonbeleid stonden Berger en De Brauw — op de achtergrond door mij gesteund — lijnrecht tegenover Drees en Boersma. Ook de persoonlijke verhouding tussen Boersma en De Brauw was slecht.

Deze achtergrond maakt begrijpelijk dat in de nacht van de val van het kabinet niet serieus is geprobeerd Jan Berger, die fractievoorzitter was, te mobiliseren. Daarbij speelde ook een rol dat in die dagen niemand van ons wist waar Berger buiten kantooruren en gedurende de nacht bereikbaar was. Zo beschouwd speelden persoonlijke omstandigheden een rol bij de uiteindelijke val van het kabinet. Ik ben ervan overtuigd dat wanneer Jan Berger direct bij het begin van de crisis zou zijn geraadpleegd, de val van het kabinet zou zijn voorkomen. Dat de politieke wil er was door te regeren, blijkt ook nog uit de volgende gebeurtenis. De ochtend na de chaotisch verlopen nacht belde Chris van Veen, de minister van Onderwijs, mij op 17 juli 1972 om ongeveer kwart over negen op. Hij maakte duidelijk dat vooral persoonlijke irritatie een rol speelde bij de ontstane crisis. Hij stelde voor dat Jan Berger de portefeuille van Wim Drees op Verkeer en Waterstaat zou overnemen en dat ik De Brauw zou opvolgen voor Wetenschaps beleid. Ik besloot naar de persconferentie van die ochtend in Nieuws poort te gaan, om vast te stellen dat Drees de breuk zo scherp aanzette dat er geen weg terug meer was. Ook de lijmpoging-Scholten mislukte. In die dagen zei Hans van den Doel tegen mij: «Het enige dat jij nog kunt doen is eraan meehelpen dat de Partij van de Arbeid weer gaat regeren.»

En zo is het ook gegaan.

Kortom, ds’70 is met Wim Drees opgegaan, maar helaas ook met hem afgegaan.

ARNOLD HEERTJE,

Hilversum

Dunselman sr.

In het artikel «De wederkomst» (in De Groene van 16 december) schrijft René Zwaap dat ik mij in het verleden «positief» heb uitgelaten over het boek van de Zweedse schrijfster Barbro Karlen En de wolven huilden, waarin zij beweert de reïncarnatie van Anne Frank te zijn.

Het tegendeel is waar. In een uitvoerig artikel in Motief, openbaar maandblad voor antroposofie, heb ik mij hier over in oktober 1998 juist heel kritisch uitgelaten. De tekst van dit artikel kunt u vinden op onze website (www.antrop-ver.nl) of opvragen bij de Antroposofische Vereniging in Zeist (tel.030-6918216).

Verder is René Zwaap onzorgvuldig geweest over de relatie van mijn vader, de Amsterdamse advocaat mr. A.R.W.M. Dunselman tot de vader van Anne Frank, Otto Frank. Mijn vader was geen medewerker maar commissaris van diens bedrijf Opekta, voor de redding waarvan hij zich in de oorlogsjaren heeft ingespannen. Wie daarover het juiste wil weten, kan dit vinden in de Dagboeken van Anne Frank, een uitgave van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (uitgave Bert Bakker 1990, pagina 8-18).

Tot slot over de laatste onzorgvuldigheid in het artikel van Zwaap: de uitgeverij van Barbro Karlens boek, Vrij Geestesleven, is geen organisatie van de Antroposofische Vereniging maar een onafhankelijke uitgever van onder meer antroposofische boeken.

RON DUNSELMAN, Zeist

voorzitter Antroposofische Vereniging in Nederland

De vuile oorlog (2)

Toch jammer dat mijn bijdrage niet geheel ongeschonden De Groene gehaald heeft (Grrr, 9 december). In de laatste zin van de tweede alinea is precies één getypte regel weggevallen, een voor mij nogal pijnlijk slordigheidje van de bureau redacteur, dat rechtzetting behoeft. De oorspronkelijke tekst luidde:

…levert deze onsmakelijke vergelijking, via de geïmpliceerde verwijzing naar Videla, een nadere fundering voor de aanklacht wegens smaad. Je zou haast gaan terugverlangen naar de mogelijkheid van een aanklacht wegens (goddelijke) majesteitsschennis.

Ten overvloede: «de majesteit» is uiteraard net een mens, gelukkig maar… In onderscheid met «God» kan zij in haar menselijke waardigheid aangetast worden. Wie geen respect toont voor een ander gedraagt zich, zelfs als het een koningin treft, inhumaan. Het aan de kaak stellen van deze vlerkerigheid vormde de strekking van mijn betoog.

J.A.M. VAN AMERONGEN, Peize