Ingezonden brieven

Grrr

Afrikaners

Volgens Peter Vermaas (in het artikel Moenie jou languages mix nie! in De Groene van 17 februari) poog ik in «bijna elke bijdrage (…) in de pers iemand op zijn nummer te zetten die in mijn ogen het Afrikaans verkeerd gebruikt heeft». Ik kan mij niet meer herinneren dat ik ooit iemand van foutief taalgebruik beticht zou hebben. Vermaas denkt in een half uur grondig inzicht in mijn dagelijks taalgebruik verkregen te hebben door te beweren dat ik al mijn zaken in het Engels bedrijf en koffie in het Engels bestel. Hoeveel Nederlanders voeren met een Amerikaan of een Brit een telefoongesprek in het Nederlands? Zelf gebruik ik het Afrikaans redelijk con sequent in mijn eigen land, wat toch zeker mijn goed recht is.

In Nederland lijkt de waardering van de Afrikaanse cultuur zich te beperken tot het in de Keizersgracht werpen van kostbare historische boeken, zoals de Nederlandse anti-apartheidsbeweging onlangs nog bij het Zuid-Afrikaanse Instituut in Amsterdam gedaan heeft.

Het is even absurd te denken dat de Nationale Partij ooit taalregels gemaakt heeft als om te denken dat de rpr — en niet de Académie Française — in Frankrijk bepaalt wat voor Frans moet doorgaan. Voor zover ik meen te weten, is het nog steeds de taalcommissie van de «Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns» die dit voor het Afrikaans doet. Vermaas trekt de mengeltaal van sommige Afrikaanstaligen in het be lachelijke en doet zijn best om het Kaap se dialect op te hemelen. Als deze variant van het Afrikaans dan toch zo vitaal is, waarom wordt hij dan niet op de radio gesproken en waarom schrijven de zogenaamde «bruine» Kaapse schrijvers, zoals E.K.M. Dido, slechts in onberispelijk standaard-Afrikaans? Waarom zou iemand ons rijke en veelzijdige literaire Afrikaans verruilen voor slechts een enkel dialect?

De veronderstelling dat de geschiedenis van de Afrikaner in zijn geheel een «mythe» is, is chauvinisme op zijn best. Dit geldt ook voor de gedachte dat het Voortrekkersmonument, een sober voorbeeld van art deco, een voorbeeld van nationaal-socialistische architectuur is. Volgt Vermaas misschien les bij de prins van Wales en zijn volgelingen die de mening toegedaan zijn dat de gehele moderne architectuur fascistisch is omdat de Duitse avant-garde er een grote rol in speelt? Als dit zo is, dan is Nederland even bezoedeld door de nationaal-socialistische bouwstijl. Breek maar gerust af. Misschien is het stadhuis van Den Haag een aanval waard als Vermaas het verdrinken van alle Afrikaanse boeken in Nederland voltooid heeft.

DAN ROODT, Johannesburg (Zuid-Afrika)

De Grondwet

Dat De Hoop Scheffer, zoals Joris van Casteren beweert («De Grondwet is geen hoer, Jaap!» in De Groene van 3 maart) een «raspopulist» zou zijn, waag ik te betwijfelen; alleen reeds z’n chagrijnige uitstraling staat dat volgens mij in de weg. Een dergelijke typering zou ik eerder bedenken bij Marijnissen en Rosenmöller of burgemeester Wallage van Groningen. Maar goed, de door Van Casteren aangesneden kwestie van een al dan niet schuldige en/of machtige overheid is er niet minder belangrijk om. Zoals evenmin het verzuchten van: «Iedereen is schuldig dus niemand draagt schuld», zoals we dezer dagen vernemen, ons verder helpt, willekeurig wat we in de Grondwet nog meer zouden willen opnemen.

Waar het onze veiligheid betreft is er in verschillende gevallen sprake van een (korte of lange) reeks van schuldigen aan te wijzen. Afhankelijk van de omvang en/of ernst van de aangerichte aanslag op die veiligheid lijkt het dan niet meer dan logisch en dus billijk dat ieder deeltje in de schakel van verantwoordelijkheid een naar rato van diens schuld of onoplettendheid een onzachtzinnige «duw» krijgt.

Dat Van Casteren van wijziging van de Grondwet niet wil weten valt alleszins te billijken, maar dat hij daarbij geen oog lijkt te hebben voor wat ik in de al te korte tweede alinea van deze brief aanduidde, verbaast mij (en valt me tegen; waarom anders zou ik er midden in de nacht nog over in de pen klimmen?).

P.J. UITERMARK, Rijswijk

Wie schrijft die blijft

In het overigens zeer leesbare interview van Joris van Casteren met de «vergeten» dichters Simon Kapteijn (Michael Deak) en Wim van der Molen (in De Groene van 10 maart) komt een zinsnede voor die ergerniswekkend te noemen is. Een auteur van een onmiskenbaar hoog niveau als een Henri Bruning botweg als een «lompe SS-auteur» te betitelen is mijns inziens een kras staaltje van gebrek aan kritisch vermogen! Ondanks het «fout» zijn van Bruning in de Tweede Wereldoorlog is een schrijver als Henri Bruning toch te beschouwen als een van de weinige waardevolle scribenten die ons land heeft voortgebracht. Al voor de oorlog beschouwde een auteur als Menno ter Braak hem, ondanks essentiële meningsverschillen, als een tegenstander van formaat!

W. GERTH, Sellingen

Partnerruil

Het artikel van Peter Sas over 1968 («De uitverkoop van 68» in De Groene van 17 maart) heeft in grote lijnen mijn instemming: natuurlijk was niet alles pais en vree, maar er werd afgerekend met moedeloos makende ellende. (Spruitjeslucht). Ik ben zestig jaar oud en heb in mijn aanloop naar ooit volwassen worden die periode heel bewust meegemaakt. De heer Sas niet en dat wordt hem niet kwalijk genomen, maar het fenomeen partnerruil was stellig geen doorgeschoten item. Het fenomeen partnerruil was destijds beslist ook geen gemeengoed: het beperkte zich tot een elitaire «voorhoede». Waarvan ik deel uitmaakte.

Met de geboorte van ons derde kind (1971) vonden wij ons gezin compleet. Gezamenlijke seks kon dus niet meer staan in het kader van de voortplanting. Het hebben van seks met anderen moest derhalve theoretisch worden toegestaan. (Schiet u maar: wat is mis aan die stelling?) Partnerruil was een tamelijk beschermde vorm om met vrije seks te experimenteren. Ook een eerlijk model. Natuurlijk verschafte het neuken met de vrouw van een vriend en het zien geneukt worden van mijn echtgenote ook een specifiek genot. Waarom niet?

Maar het consequent afschaffen van het verbod op seks buiten het huwelijk was wel degelijk het leidend motief. Het «hoerenlopen» werd als verachtelijk en vrouwonvriendelijk ervaren en zou verdwijnen als het taboe op vrije seks zou worden opgeheven. Helaas is het allemaal niet zo ver gekomen.

Er was echt geen verband met oranje formica-meubilair!

ARIE BUITENDIJK, Amsterdam