Ingezonden brieven

Grrr

Jaren negentig

Joeri Boom en Sander Pleij zijn van mening dat in de jaren negentig in Afrika sprake was van «opvlammende burgeroorlogen» («Altijd en overal hip», in De Groene van 20 juli), waar «jonge journalisten» naartoe zouden trekken voor een «kick van geweld». Sinds het einde van de Koude Oorlog is er in de verhoudingen in Afrika inderdaad veel veranderd. Er waren enkele hoopvolle ontwikkelingen aan het begin van de jaren negentig (vrijheid Zuid-Afrika, een aantal minder corrupte presidenten, groeiende economieën etc.), maar al gauw liep weer veel in de soep en werden, als gevolg van westers isolationisme, niet-integere leiders en nog zo het een en ander, de arme landen nóg armer. Ook was er oorlog, jazeker. De conflicten in Sierra Leone of Liberia kun je burgeroorlogen noemen.

De grootste oorlog van de jaren negentig die op Afrikaanse grond werd (en wordt) uitgevochten, is echter de oorlog in Congo. Dit is in de verste verten geen burgeroorlog, maar een heuse wereldoorlog, waar tenminste zes autonome staten direct bij betrokken zijn. Omdat een en an der zich op het Afrikaanse continent afspeelt, heeft het Westen nauwelijks oog voor deze oorlog. De eerste jonge journalist die naar deze oorlog vertrekt om, al dan niet voor de kick, verslag te doen, moet mijns inziens nog opstaan. Ook bij de meer overzichtelijke burgeroorlogen zijn hoegenaamd geen West-Europese reporters aanwezig geweest. In mijn herinnering gingen vooral veel jonge verslaggevers in de jaren negentig voor de kick naar voormalig Joegoslavië, waar dicht bij huis een oorlog woedde die ook door meer gelouterde journalisten op de voet werd gevolgd. Joeri Boom was bijvoorbeeld zo iemand.

ERIC SCHELSTAD, Amsterdam

Rob de Wijk

Joeri Boom haalt (in De Groene van 20 juli) schijnbaar in alle ernst een uitspraak aan van Rob de Wijk die zo gevaarlijk simplistisch is dat ik wel moet reageren: «In Rwanda stopte de oorlog zonder ingrijpen van de internationale gemeenschap (…) vermoedelijk worden problemen eerder opgelost als er geen oplossing van buitenaf wordt opgelegd», zegt De Wijk.

Iedereen die zich een beetje in de genocide in Rwanda en het conflict in de grote-merenregio verdiept, weet dat de oorlog bij lange na niet is «opgelost». De oorlog, vrijwel geheel genegeerd door westerse media, woedt in alle hevigheid door in oost-Congo, dat nu bezet wordt door Rwanda. Na de genocide in Rwanda in 1994 vluchtten veel Hutu’s, waaronder ook Hutu-extremisten, uit angst voor wraak naar oost-Congo. Door hun aanwezigheid ontstond het gevaar voor een nieuwe (vanuit oost-Congo geplande) genocide waar tegen Rwanda de internationale gemeenschap om bescherming vroeg. Opnieuw echter weigerde de internationale gemeenschap in te grijpen. Er kwam geen troepenmacht om Rwanda te beschermen en Rwanda ondernam daarop zelf actie door oost-Congo te bezetten.

Eenmaal aanwezig achtervolgden de Rwandese troepen niet slechts Hutu-extremisten, maar namen ook wraak op onschuldige Hutu’s en wakkerden etnisch conflict aan. Ook startten zij de plundering van oost-Congo en richtten zij, nog steeds onder het internationaal tegenwoordig zeer legitieme moto van «veiligheid», de vreselijkste martelingen en slachtingen aan onder Congolese burgers om toegang te krijgen tot de Congolese bodemschatten. De roep van oost-Congolese burgers om internationaal ingrijpen — waardoor dus wederom géén sprake is van «van buitenaf opleggen» — wordt steeds groter. Blijkbaar sluit het Westen net als De Wijk nog steeds, deels uit schuldgevoel over de westerse passiviteit onder de genocide van 1994 en deels uit ongeïnteresseerdheid, moeiteloos de ogen voor de roep van de Congolezen en voor de oorlog die alleen al sinds 1998 naar VN-schatting al twee miljoen mensenlevens heeft gekost.

Samen met de oorspronkelijke genocide in 1994 die ook aan bijna een miljoen mensen het leven kostte, is dat in elk geval een fijne «oplossing» van de oorlog in Rwanda. Ik kan me eerlijk gezegd geen slechtere oplossing voorstellen.

WIES STEUR, Utrecht

student sociale wetenschappen, afgestudeerd op gender en conflict in Congo

Gelijkheid

Pieter van Os koppelt (in «De verkwanseling van het gelijkheidsideaal» in De Groene van 6 juli) twee zaken aan elkaar op een manier die ik moeilijk kan volgen. De teloorgang van de verlichtingsidealen (een analyse waar ik het grotendeels mee eens ben, en een ontwikkeling die ik evenzeer betreur als Van Os) wijt hij aan het neoconservatieve offensief tegen het politiek correcte denken. Dat wil zeggen het politiek correcte denken dat dateert van pak ’m beet dertig jaar terug, dat volgens de criticasters een overdreven nadruk legt op nivellering en op datgene wat ons mensen bindt.

Van Os lijkt die aanval te betreuren. Ik kan me er echter prima in vinden. Ik wil daaraan toevoegen dat ik elke aanval op elk politiek correct denken toejuich. Ik zie namelijk niet in hoe vrijheid en gelijkheid op de lange duur gediend kunnen zijn met welke beknotting van denken en praten dan ook. En geen enkel oprecht begaan mens zou dat moeten willen. Het zijn altijd de comfortabelen die het op een gegeven moment wel best vinden en willen stoppen met luisteren en nadenken. Dat geldt nu, dat gold dertig jaar geleden.

Ik krijg de indruk dat Van Os politiek correct denken verwart met politiek (en niet noodzakelijkerwijs correct) handelen. Als met redelijke zekerheid vaststaat dat een goed bedoelde subsidie niet werkt, dan moet dat gezegd kunnen worden. Dan nog heeft de politiek het recht om die subsidie, om welke reden ook, te handhaven. Daarbij geldt: hoe opener de samenleving, hoe vinniger het debat over die subsidie zal zijn; en des te overtuigender moet het verhaal zijn van de politicus die toch vóór is.

ROGIER ZELLE, Amsterdam