Ingezonden brieven

Grrr

Graag wil ik reageren op het artikel ‘Bukken hoeft niet’ (De Groene van 10 november 1999) waarin journalist Arnold Karskens zware beschuldigingen aan mijn adres uit. Hij noemt mij in het interview een ‘lounge lizard’: oorlogscorrespondenten die rondhangen in hotels en verhalen van andere journalisten noteren alsof ze er zelf bij waren. En verder: ‘Wat De Temmerman heeft gedaan is een schande voor de Nederlandse journalistiek… Ze voert zichzelf regelmatig op als getuige van gebeurtenissen die ze nooit heeft meegemaakt.’ Karskens haalt twee voorbeelden aan om zijn bewering te staven. Een incident in Somaliland, waarbij ‘De Temmerman dekking moest zoeken voor een horde bloeddorstigen’.


Vooreerst heb ik die termen nooit gebruikt. Ik heb in de laatste alinea van mijn verhaal in de Volkskrant beschreven hoe Somalische jongens ons (mijn cameraman Petri Hamalainen en de geluidsman Ayham Bayzid) met geweren bedreigden. We konden na lang onderhandelen ontsnappen en renden het complex van de vice-president van Somaliland in, waar onze aanvallers ons achterna kwamen. ‘Ik heb die cameraman opgezocht en die vertelde dat er niets aan de hand was. Alleen wat mensen die hen hebben weggewuifd’, zegt Karskens. Welnu, mijn cameraman beweert in een schriftelijke verklaring dat hij nooit door Karskens is opgezocht. Hij getuigt bovendien dat het incident in Somaliland wel degelijk heeft plaatsgevonden. Ook de derde getuige, Ayham Bayzid, bevestigt het gebeurde.


Als tweede voorbeeld haalt Karskens een situatie in Safaha aan, een kamp op de grens tussen Noord- en Zuid-Soedan waar ik als hulpverleenster werkte (ik was toen trouwens nog geen journaliste). Ik was er verantwoordelijk voor het meten en wegen van kinderen en het meenemen van de ondervoeden naar het voedingscentrum. Toen er niet meer genoeg voedsel was voor iedereen moest ik selecteren welke kinderen nog naar het voedingscentrum konden. Karskens suggereert dat dat verhaal verzonnen is omdat ik alleen ‘administratief medewerkster’ was. Mijn toenmalige collega’s, alsook de delegatieleider van Artsen zonder Grenzen kunnen getuigen dat ik mij in maart 1988 vrijwillig heb opgegeven om in dat kamp te gaan werken en dat ik er wekenlang verbleven heb.


Het dagboek van mijn wedervaren is na mijn terugkeer verschenen in Humo, nadat het is nagelezen en goedgekeurd door de toenmalige top van Artsen zonder Grenzen om geen collega’s in gevaar te brengen. Mijn verhaal over Safaha is maanden later bevestigd door een rapport van Amnesty International.


Als dergelijke gemakkelijk verifieerbare feiten al manifest onjuist zijn, stel ik mij ernstig vragen bij het soort journalistiek dat Karskens bedrijft.


Het kadert in een haatcampagne die hij al jaren tegen mij voert en die erop gericht is mijn reputatie te schaden.



Oostende,


ELS DE TEMMERMAN



 


Romantisch



Hoe heerlijk romantisch en bovenal vervuld van een revolutionair elan zijn toch altijd die politieke-voorhoede-verhalen uit de oude linkse doos. Dag en nacht waren de jongens in die gouden jaren zeventig in touw, zo wil de legende (lees ‘Bakermat Oss’ in De Groene van 19 januari), om het politieke gedachtegoed van hun partij onder de bevolking uit te dragen. Dat gold voor SP’ers, maar voor hetzelfde geld hebben we het over het ‘intellectuele’ deel van de CPN. O wee, echter, als je niet voldeed aan het ‘volkse’ ideaal van deze kameraden. Als je, bijvoorbeeld, een nicht was en dat niet onder stoelen of banken wenste te steken. Dan waren de heren revolutionairen niet te beroerd om je hardhandig uit hun favoriete dranklokaal — in Nijmegen, waar ik toen woonde, waren dat destijds café ’t Hoekje (SP en KEN(ml)) en Trianon (CPN) — te (laten) gooien. Want nergens werd meer geloof gehecht aan het leninistische theorema dat de arbeidersklasse niet gediend is van dit soort middenklasse-perversiteiten dan in deze kringen. Gelukkig weten we allemaal hoe het met de erfenis van Vladimir Iljitsj Oeljanov is afgelopen!



Amsterdam,


MARTY PN VAN KERKHOF



 


Wichman



Met belangstelling las ik het artikel ‘Iets Pruisisch’ van Menno Postma en Arie Pos (De Groene van 10 november 1999) over de relatie tussen Hendrik Marsman en Erich Wichman. Het artikel biedt een interessante kijk op de wederzijdse beïnvloeding van beide kunstvrienden, die haar oorsprong vond in het Duitse aristo-intellectualisme van die dagen.


Evenzeer blijkt uit het artikel dat beide schrijvers geen kennis hebben genomen van twee recente publicaties over beide hoofdpersonen, namelijk Jaap Goedegebuures biografie van Hendrik Marsman, Zee, berg, rivier en de door mij bezorgde briefwisseling van Erich Wichman onder de titel Geest, koolzuur en zijk. (Het klankrijm van beide titels is toeval.)


Ware dat wel het geval geweest, dan zouden zij niet alleen de contacten tussen Marsman en Wichman veel genuanceerder belicht kunnen hebben, maar ook zouden enige feitelijke onjuistheden niet in het artikel zijn terechtgekomen.


Zo is Erich Wichman nooit lid geweest van het Verbond van Actualisten, doodeenvoudig omdat hij deze proto-fascistische partij veel te bezadigd en niet radicaal genoeg achtte. Hij betitelde dit VvA dan ook als het ‘Verbond van Aggenebbisj’. Evenmin zou het — inmiddels mythische — verhaal dat het schip waarop Hendrik Marsman van Bordeaux naar Engeland vluchtte, getorpedeerd werd, in de slotregels van het stuk gestaan hebben. Uit de studie van Goedegebuure blijkt dat het schip naar de kelder ging na een ontploffing in de machinekamer en dat er waarschijnlijk in de verre omtrek op dat moment geen Duits oorlogsschip aanwezig is geweest.



Utrecht,


JOEP HAFFMANS



 


Crisismanagers



In het overigens interessante hoofdredactionele betoog (‘Ruziënde crisismanagers’) in De Groene van 12 januari trof mij toch pijnlijk hoe hier een viertal bekende politici van de twintigste eeuw als typische ‘antidemocraten’ bij elkaar zijn gebracht: ‘Het waren natuurlijk allemaal antidemocraten, Stalin en Hitler, Churchill en De Gaulle. Het waren crisismanagers…’ Zo worden twee pathologische massamoordenaars van die eeuw als het ware op één lijn gesteld met mannen als Churchill en De Gaulle, van wie men veel kwaads kan zeggen, maar niet dat zij in het noodlotsjaar 1940 een ‘verkeerde’ partij zouden hebben gekozen. Met name de wereldhistorische rol die Churchill toen heeft gespeeld (daarbij gelukkig gesteund door Roosevelt, ook een ‘antidemocraat’?) wordt zo genegeerd. Zou ik (respectievelijk ‘wij’) dit nog kunnen schrijven indien Engeland — als uniek democratisch bolwerk — toen was ‘geleid’ door een of andere defaitist (de in 1938 nog bejubelde en daarna verguisde Chamberlain had intussen het veld geruimd; voor ons vaderlandse gejubel verwijs ik naar Menno ter Baaks ‘Het verraad der vlaggen’, Verzameld Werk deel IV, p. 652-656).


Met de term ‘crisismanager’ wordt hier een term van het jaar 2000 overgeplant op dat oorlogsjaar 1940 (en later…). Als een dergelijke ‘manager’ had Churchill zijn land (met de ‘Commonwealth’) zeker niet kunnen bezielen in die schijnbaar al verloren strijd tegen het triomferende Hitlerdom.



Rotterdam,


E.M. JANSSEN PERIO



 


Matzes



In het interview met Xaviera Hollander (De Groene van 12 januari) zegt zij onder andere dat zij recentelijk medewerkers van diverse joodse organisaties had uitgenodigd voor een maaltijd van matzes en kip. ‘Ze begrepen eindelijk dat ook ik me bezighoud met promoten van het jodendom.’


Nu worden matzes door joden alleen verplicht gegeten tijdens de joodse Pesach ofwel Paasweek, die evenals het christelijke Pasen geen vaste data heeft maar wel altijd omstreeks april valt. Tijdens de overige 51 weken van het jaar is het voor joden niet verboden om matzes te eten, maar is het evenmin speciaal joods voedsel als crackers. ‘Recentelijk’ kan echter niet op april slaan.


Xaviera Hollander houdt zich naar eigen zeggen thans bezig met ‘promoten van het jodendom’. Nog afgezien van de kwestie of vele joden daar wel van gediend zullen zijn, is het in elk geval de vraag of zij voldoende kennis van het jodendom heeft om dit te kunnen promoten.



Badhoevedorp,


HENRIETTE BOAS



 


Smeerlapperij



Met stijgende verbazing las ik het interview van Joris van Casteren met Clifford Cremer, de zoon van Jan Cremer (in De Groene van 19 januari). Dat is nog eens een vorm van engagement voor een schrijver! Waar wij in Nederland gedurende de Balkanoorlogen ons afvroegen of een auteur wel of niet stelling moet nemen voor of tegen Navo-ingrijpen (terwijl dit in het buitenland allang gebeurde) trekt Clifford Cremer eropuit met fascistische huurlingen die bij elk conflict opduiken om er met hun macho-Rambogedrag enorme oorlogen van te maken. God zij gedankt dat Clifford Cremer zijn voet verloor, anders was hij nog mee gaan vechten ook, zegt hij zelf trots in het interview. De moslims waar hij in Nederland zo van gruwt had hij maar wat graag op de korrel genomen. Dat deze man die het liefst tegen het ANC zou vechten zich spiegelt aan zijn SS-opa gaat alle perken te buiten.


Het is tot daaraan toe als Cremer dit heimelijk privé uitspookt. De onbeschroomdheid echter waarmee hij met zijn neofascistische bravoure nu in boekvorm naar buiten komt is zeer verwerpelijk. Het is wel duidelijk dat hij een vaderfiguur heeft gemist die hem wat historisch besef had kunnen bijbrengen. Het scheelt een haartje of Clifford Cremer was de holocaust gaan ontkennen.


Het boek komt uit in de lente. Waarom staat er niemand op dat deze extreem-rechtse propaganda niet in de boekhandels komt te liggen? Het is goed dat De Groene Clifford Cremer voortijdig ontmaskerd heeft.



Amsterdam,


M. ROSKAM