Ingezonden brieven

Grrr

Leeuwarder Courant

Een van de allereerste dingen die je in de journalistiek dient te weten, is dat je namen en citaten zonder fouten moet schrijven. Om dan in een Friese tekst van slechts twee woorden twee fouten te maken is wel een beetje veel van het goede. Aart Brouwer gebruikt in zijn artikel «To Plâk» (in De Groene van 24 augustus) bij het woordje to een spellingswijze van voor de oorlog. Het woord plak ken ik wel, maar plâk is mij met mijn lager-onderwijsakte Frysk zelfs compleet onbekend. Het verhaal stikt verder van de onjuistheden, die ik niet allemaal wil noemen.

Frappant is dat de opgevoerde hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant, Rimmer Mulder, mij als fnp een zielig geval noemt. Ik ben sinds jaar en dag actief lid van de Fryske Nasjonale Partij en ik schaam mij daar niet voor. Hoe knullig men mij ook vindt. Bij de laatste verkiezingen stemden ruim 29.000 Friezen fnp. Daar zijn veel lezers van de Leeuwarder Courant onder. Allemaal onbenullen, mijnheer Rimmer?

REPKE HOLLEMA

FNP-foaroanman Smellingerlân

Kringloopwetenschap

Het artikel «Kringloopwetenschap» van Patrick van IJzendoorn (in De Groene van 31 augustus) bevat een boeiende collage van uitspraken van geleerden over de wijze waarop een wetenschaps- en onderzoeksbeleid gestalte moet krijgen, waarin kwaliteitsbevordering en op objectiveerbare criteria gebaseerde evaluaties van wetenschappelijk onderzoek een belangrijk onderdeel vormen. De wijze waarop het Centrum voor Wetenschaps- en Technologie Studies (cwts) poogt een bijdrage te leveren aan dit proces door de ontwikkeling en toepassing van kwantitatieve, «bibliometrische» hulpmiddelen bij onderzoeksevaluaties en analyses van beleidseffecten is echter onderbelicht gebleven. Tevens wekt het artikel ten onrechte de indruk dat een beleid gericht op toenemende openheid en kwaliteitsbewustheid in publicatiestrategieën in brede lagen van de academische wereld als verwerpelijk wordt aangemerkt.

Is het geen goede zaak dat ook in de alfa- en gammawetenschappen de onderzoekersgemeenschap zelf enige rangordening aanbrengt in de vele publicatiebronnen, en «drempels» stelt waaraan de betere onderzoekers doorgaans wél, en de mindere meestal niet kunnen voldoen? Zulke drempels moeten recht doen aan het vakgebied, maar wel verdedigbaar zijn tegenover onderzoekers uit andere gebieden en voor zover mogelijk empirisch ge toetst. In tegenstelling tot wat sommige aangehaalde onderzoekers lijken te menen, is het toch niet onredelijk dat academische onderzoekers op een deugdelijke manier worden geëvalueerd.

Het artikel (en de beschreven polemiek in de Academische Boekengids) biedt eigenlijk geen enkel productief idee hoe onderzoekskwaliteit in die gebieden dan wél zichtbaar kan worden gemaakt.

In verschillende cwts-studies is gepoogd het onderscheid tussen een wetenschappelijke en een populariserende bijdrage te operationaliseren. Deze waren gebaseerd op het uitgangspunt dat onderzoekers in de alfa- en gammawetenschappen een taak hebben hun onderzoeksresultaten voor een breed publiek kenbaar te maken. Beide aspecten kunnen in een beoordeling als onderscheiden aspecten aan de orde komen. Volgens dit uitgangspunt hebben populariserende bijdragen dus een eigen waarde. In sommige geciteerde uitspraken in het artikel lijken deze beide aspecten niet naast maar juist tegenover elkaar te worden geplaatst.

Tegemoetkomend aan wensen van evaluatiecommissies inzake juridisch onderzoek heeft het cwts methodes ontwikkeld om publicatielijsten van onderzoekers te structureren en in de wildgroei van tijdschriften het kaf van het koren te scheiden. Citatiegegevens hebben daarbij overigens geen enkele rol gespeeld, boekpublicaties wel.

Het is niet aan het cwts om voor te schrijven hoe evaluatiecommissies het begrip onderzoekskwaliteit moeten opvatten. Commissies dienen dergelijke kwesties zelf uit te werken en te expliciteren. Wel geeft het cwts de waarde en beperkingen van de indicatoren aan, op grond van eigen onderzoek en eerdere ervaringen. Dat geldt dus ook voor output(publicaties)- en impact(ci taties)gegevens ontleend aan de Citation Indexes van het Institute for Scientific Information (isi), die met name in kwantitatieve, internationaal georiënteerde gebieden van de experimentele psychologie en empirische economie bruikbare gegevens kunnen opleveren.

HENK F. MOED

Senior onderzoeker verbonden aan het cwts van de Universiteit Leiden