Ingezonden brieven

Grrr

Politiek sonnet

In de brievenrubriek van 21 september schrijft de heer H. Mooi uit Groningen een tamelijk domme ingezonden brief over de prachtige politieke sonnetten van Theodor Holman.

De heer Mooi vindt de rijmdwang van de heer Holman «opvallend». Opvallend goed, zou ik willen zeggen. «Likken» mag je van de heer Mooi niet laten rijmen op «haviken». Waarschijnlijk vanwege de klemtoon. Holman doet dat wel. Nou en? Mooi is vast bang dat Holman ooit nog eens mooi op geflikflooi laat rijmen. Verder, zegt Mooi, zijn ritme en metrum bij Holman «onbeholpen». Wederom: nou en? En hoezo? Kortom: de heer Mooi is een echte schoolmeester, wat ook blijkt uit het feit dat hij, blijkens zijn ingezonden brief, weet wat zich tegenwoordig zoal in de schoolkranten afspeelt.

Holman is verrassend in zijn gedichten, nieuw, niet oubollig (zoals Driek van Wissen die altijd van die «leuke grapjes» in zijn gedichten doet), fel, gevoelig en hard. Zeker, hij is niet klassiek. Zijn versvoeten lopen niet in de maat, maar schoppen, hakken, trappen de boel omver. Het is satire met een grote S.

Ga door, Holman. Schop die mooipraters onderuit!

MANUS GROENTEMAN, Den Haag

Discriminatie

In de column Lessen trekken van Opheffer/Theodor Holman (in De Groene van 14 september) lees ik: «Ooit moeten joden, negers en blauwen voor de gemeenschap eng en bedreigend zijn geweest.»

Ik voel me aangesproken.

Theodor Holman geeft in dit stuk, in vierhonderd woorden, een apologie van de discriminatie. In De Groene had ik dat nog niet gezien.

Discriminatie is wel altijd verkeerd, maar in allerlei situaties toch noodzakelijk («beter», schrijft Holman). Zo is discriminatie van Marokkanen in Nederland, van joden door Palestijnen in het Midden-Oosten en omgekeerd van Palestijnen door joden, nodig. Motief: er is sprake van reële bedreigingen. De gedachte is hier dat de discriminatie haar grond heeft in het gedrag van de te discrimineren groep.

Om zijn redenering rond te maken zegt Holman ook iets over het verleden: «Ooit moeten joden, negers en blauwen voor de gemeenschap eng en bedreigend zijn geweest.» Hier staat dat uit de voormalige discriminatie blijkt dat er wel een reden voor zal zijn geweest. Het zal wel niet voor niets zijn geweest. Ik kan de tekst niet anders lezen. (Volgens historici ontbrak die bedreiging nu juist in het algemeen. De rationaliteit ontbrak.)

Met de redenering van Theodor Holman kan werkelijk elke gebeurtenis uit het verleden worden verdedigd. Holman wil het graag goed bedoelen. Want hij voegt toe dat discrimineren alleen mag als je tegelijkertijd probeert iets te doen aan de oorzaken van het conflict. Het is zijn jaren-zeventigdeksel op een in de kern middeleeuws betoog.

B. HAMBURGER, Amsterdam