Ingezonden brieven

Grrr

Goede man

Na het lezen van Ik ben een goede man van Opheffer/Theodor Holman (in De Groene van 5 oktober) ben ik ontzettend kwaad! Op Theodor Holman!

Ik ben al vijftien jaar op zoek naar een man die hart voor me heeft, die werkelijk van me wil houden. Een man die mijn hoofd masseert, mijn voeten streelt, zich bescheiden opstelt. Een lieve man, dat is wat ik wil.

Ik houd niet van machtswellustelingen, patjepeeërs, geldwolven, braniemakers, van die kerels die zichzelf geweldig vinden en natuurlijk niets voorstellen.

Ik kom helaas alleen dat soort mannen tegen. En ik zoek ze echt niet op.

Ik ben een jong uitziende, intelligente vrouw, academisch gevormd, met weinig eisen en een «groot hart». Mijn leeftijd heb ik tegen, want mannen van mijn leeftijd (50) zoeken vrouwen van minimaal vijftien jaar jonger. Die mannen wil ik niet eens meer.

Terwijl ik zelf op 42 jaar geschat word en zij er vaak uitzien alsof ze dik in de zestig zijn. Dat maakt me niet uit, maar ze zien me niet staan.

Walgelijke kerels zijn het die alleen maar hun pik achterna lopen.

Theodor, ben jij de uitzondering op de regel? Neem snel contact met me op, want ik wil zo’n unieke vent ontmoeten.

En zeg nooit meer «mannen zoals wij»‚ want ik heb lang genoeg gezocht om beter te weten! Ik val op Goede Mannen, helaas bestaan ze nauwelijks tot niet, want ik moet nog zien of jouw verhaal klopt.

Naam en adres van de briefschrijfster zijn bij de redactie bekend

Discriminatie

In de brievenrubriek van 5 oktober verwijt B. Hamburger Opheffer ten onrechte dat hij «een apologie van de discriminatie» schrijft.

Hamburger baseert dit verwijt op een zinsnede uit de column Lessen trekken (in De Groene Amsterdammer van 14 september).

De gewraakte passage luidt als volgt: «Ooit moeten joden, negers en blauwen voor de gemeenschap eng en bedreigend zijn geweest.»

Volgens Hamburger beweert Holman hier dat joden, negers en blauwen eenvoudigweg wel eng en bedreigend moéten zijn geweest. Immers, hoe valt de discriminatie anders te verklaren?

Als Holman het inderdaad zo zou hebben bedoeld, zou dit een fraai staaltje zijn van omkering van oorzaak en gevolg («er was discri minatie, dús moeten de joden et cetera wel bedreigend zijn geweest»).

B. Hamburger begaat hier echter een klassieke denkfout. Hij of zij verwart een historische constatering met een moreel oordeel. Theodor Holman beweerde slechts dat men destijds discrimineerde, omdat men joden et cetera werkelijk eng vond.

De vraag of de joden et cetera daadwerkelijk eng en bedreigend waren, doet daarbij niet ter zake: het gaat erom dat men het althans zo ervoer.

Hamburger verwart dit — betreurenswaardige — historische gegeven met het persoonlijke, morele oordeel van Theodor Holman.

MARK SCHENKEL, Amsterdam

Vrouwen vernederen?

Marja Pruis stoort zich in Vrouwen veroveren en vernederen (in De Groene van 5 oktober) aan iets dat een personage van Harry Mulisch tot een ander personage van Harry Mulisch zegt. Een romancier die een personage kan bedenken dat zich zoiets bots laat ontvallen, moet wel een bot mens zijn, lijkt zij te denken («Mulisch weet van vernederen…»).

Mevrouw Pruis citeert onvolledig, rukt een passage uit zijn verband. Men leze het na: De ontdekking van de hemel, blz. 126-128. Ada laat zich immers in het geheel niet vernederen: zij beëindigt de relatie. En als zij alles begrijpt (blz. 150-151) is het te laat om die te herstellen.

Leest Pruis onzorgvuldig, of leest ze om haar vooroordelen bevestigd te zien? De vrouw speelt in Mulisch’ werk slechts de rol van baarster, verzorgster of neukobject, meent ze. Is haar in De ontdekking van de hemel de vrouw ontgaan die virtuoos de rol van neuksubject speelt (Sophia)? Men leze het na (blz. 335-337) want citeren zou hier gelijkstaan aan amputeren.

HENK DE VRIES, Ürikon (Zwitserland)