Ingezonden brieven

Grrr

Correcties, aanvullingen en stommiteiten

In het essay «De seksistische economie» van Jan Pen (De Groene, 31 maart) zijn enkele storende fouten geslopen. Het proefschrift van Edith Kuiper heet The Most Valuable of all Capital. Een komische fout is dat de naam van Piet Hennipman, die de leermeester is van Arnold Heertje en van Jan Pen, vervangen is door de naam van Arnold Heertje. Omdat het slot van het artikel daardoor tamelijk onbegrijpelijk is geworden, volgt hier de juiste tekst:

Een onwelwillende recensent heeft zich al gemeld: Arnold Heertje schreef in Het Parool dat de promotor mevrouw Kuiper tegen zichzelf in bescherming had moeten nemen. En zulks vooral «omdat zij vasthoudt aan het idee dat de economische wetenschap berust op de homo economicus». En met «die conceptie is al in 1938 afgerekend door Piet Hennipman, in een magistraal proefschrift dat kennelijk aan de aandacht van de promovenda is ontsnapt». Kuiper heeft, ook in Het Parool, beleefd gereageerd met de vraag of professor Heertje het boek wel had gelezen. «De homo economicus komt er namelijk niet in voor.» Zelf heb ik van leermeester Hennipman meegekregen dat we het geschreven woord met aandacht en zorgvuldigheid moeten bejegenen. In dat opzicht geldt Kuiper als zijn volgeling.

Belangrijker is dat Kuipers boek onder handbereik moet komen van iedereen die zich bezighoudt met gender studies. Dat zijn in Nederland een paar honderd mensen, meest vrouwen. Voorts beveel ik het al mijn vakgenoten aan, vakgenoten van beiderlei kunne die het feminisme in de economie maar niks vinden. Bekeerd zullen ze niet worden, maar ze kunnen wel een paar nieuwe dingen leren, over Adam Smit en Alfred Marshall.

De werkelijke betekenis van deze studie ligt bij het onderzoek naar de manier waarop wij, mensen van de sociale wetenschappen, onze gedachten verwoorden. Dat is een sterk verwaarloosd onderwerp. Onderzoekers kunnen uit de dissertatie van Edith Kuiper inspiratie putten om verder te gaan waar zij is gebleven. Haar bijdrage is een tikje grensverleggend.

In zijn artikel «Alles moet anders» (De Groene, 3 maart) stelt Rob Hartmans dat Bart Jan Spruyt, redacteur van het Reformatorisch Dagblad, ook lid is van de SGP. Dit is onjuist.

Sharon

In zijn commentaar «Een vredeshavik aan de macht» (De Groene, 10 februari) schrijft Martin van Amerongen: «Naar de letter van het internationale recht is in Israël op het ogenblik dus een oorlogsmisdadiger aan het bewind.»

Van Amerongen is geen jurist en zijn constatering is onjuist. De feiten staan vast: Ariel Sharon heeft de burgers in Sabra en Shatilla niet vermoord, noch daartoe opdracht gegeven. De kwestie is destijds door een onderzoekscommissie uitgebreid onderzocht, zoals dat hoort in een democratie. Israël is de enige democratie in het Midden-Oosten.

Het blijkt dat Ariel Sharon geen gevolg heeft gegeven aan zorgwekkende signalen over de situatie in Sabra en Shatilla. De vraag is of het Israëlische leger op dat moment wel verantwoordelijk was voor de veiligheid van de burgers van Sabra en Shatilla en of het de gebeurtenissen wel had kunnen voorkomen. Bovendien was er sprake van een oorlogssituatie, waarin beslissingen over leven en dood onder grote druk en met heel moeilijke afwegingen tot stand komen. Niettemin is het gebeurde zeer te betreuren.

Zorgwekkende signalen waren er ook over de vuurwerkopslag in Enschede. Daar is door onder anderen premier Kok en burgemeester Mans geen aandacht aan gegeven. Hieruit blijkt wel dat nalatigheid, ook bij het reageren op een levensbedreigende situatie, geen oorlogsmisdaad is. Zulke nalatigheid maakt van politici geen oorlogsmisdadiger. Dan zou de term oorlogsmisdadiger haar betekenis verliezen.

Ariel Sharon is partijleider van de Likoed, waarvan wij de Nederlandse vertegenwoordiging vormen. Van daar dat wij het gebruik van de term «oorlogsmisdadiger» betreuren.

A.M. STRUICK VAN BEMMELEN, Amstelveen

Voorzitter Likoed Nederland

Evita

In het artikel «Onze eigen Evita» (De Groene, 7 april) gaf René Zwaap zijn sarcastische visie op de redding van ons koningshuis door de nieuwe «Evita» Máxima. Eerst wijst Zwaap erop dat ons koninklijk huis altijd al uitblonk in het binnenhalen van leden van families die nauw verbonden waren met totalitaire systemen. Het valt me nog mee dat hij hierbij niet Máxima zelf betrok, waarmee we immers een nazaat van de vroegere Spaan se overheersers «binnenhalen». Uiteraard gaat Zwaap wel uitgebreid in op de kwalijke rol die de vader van Máxima in de zwarte Videla-periode heeft gespeeld. In zijn visie komt het erop neer dat ons koningshuis zich niet moet compromitteren met mensen met een fout verleden. Dan laat hij ons toch achter met de vraag: moeten we ons dan ook maar en masse afkeren van de kinderen van de foute ouders tijdens de Tweede Wereldoorlog? Ik denk dat er momenteel weinig Nederlanders zijn die zich tegen die kinderen, die het tenslotte ook niet konden helpen dat hun ouders fout waren, zouden willen keren. In feite ligt dat ook zo met de aangetrouwde leden van ons koningshuis. Natuur lijk moet je de gedane misdaden van hun familieleden verwerpen en de betreffende personen weren bij officiële gelegenheden. Maar verder dan dat kun je niet gaan, omdat je dan inhumaan bezig bent.

Voor de Republikeinen leek het een kans voor open doel, die vader van Máxima; even was ons konings huis in gevaar. Maar een goede fee kwam onze constitu tionele monarchie te hulp, zodat dit sprookje gelukkig wordt voortgezet. Dat hebben we nodig in deze verzakeziekte tijden.

GERARD VELDMAN, Alkmaar

Ironie

In zijn artikel «Geveinsde onwetendheid» (De Groene, 24 maart) suggereert Graa Boomsma dat ik de laatste zin van mijn artikel over ironie (NRC Handelsblad, 2 maart) uit een essay van David Foster Wallace zou hebben overgeschreven, althans, dat ik Wallaces ideeën gebruik zonder mijn bron te vermelden. Een merkwaardige interpretatie van een uit de context gerukt citaat, want in de direct hieraan voorafgaande zinnen (niet geciteerd door Boomsma) wordt duidelijk dat ik juist de door Wallace gesignaleerde ontwikkeling beschrijf en samenvat: «Het lijkt er eerder op dat nu eindelijk de verschuiving valt waar te nemen binnen de literatuur die David Foster Wallace al aankondigde in zijn eerder genoemde essaybundel. Hij beschreef daarin hoe ironie van wapen van de culturele voorhoede is verworden tot marketingtechniek van de gevestigde orde.»

CORINE VLOET, Amsterdam