Ingezonden brieven

Grrr

PCM

Hubert Smeets ontvouwde de nieuwe strategie van PCM Uitgevers in een artikel (De Groene Amsterdammer, 1 februari) waarin ook een aantal hele en halve waarheden over het Algemeen Dagblad voorkomt. Die strategie komt er volgens hem op neer dat PCM kranten in de etalage zet. In van president Bush geleende taal stelt hij bijvoorbeeld: «Het Algemeen Dagblad is niet meer dan een eerste bruggenhoofd. Andere fronten zullen volgen.»

De uitspraken van Smeets zijn op niets gebaseerd en komen geheel uit zijn duim; er staat geen enkele krant bij PCM «in de etalage». Door hem is geen enkele bron geraadpleegd, laat staan wederhoor toegepast. Dat is in strijd met elke journalistieke norm.

THEO BOUWMAN, voorzitter Raad van Bestuur PCM Uitgevers NV,

Amsterdam

Abou Jahjah

«En dat allemaal in perfect Vlaams!» wordt in de Nederlandse kranten, op radio en tv geregeld opgemerkt over het publieke optreden van Dyab Abou Jahjah. Jammer dat ook Hubert Smeets (De Groene Amsterdammer, 1 februari) in deze val trapt. De Libanese immigrant en Belgische staatsburger heeft zich het Nederlands voortreffelijk eigen gemaakt, want dat spreken ze in Vlaanderen (zie ook 10 voor taal).

Het is overigens de vraag of een «serieus alibi voor een potje knokken met de politie» de voornaamste boodschap is van Jahjah, sterker, of hij daar een voorstander van is.

Sinds het eerste optreden van de Arabisch Europese Liga in Borgerhout (Antwerpen) heb ik de indruk dat het haar bedoeling vooral is het vastgeroeste wij-zij-denken te ondergraven.

Het lijkt paradoxaal, omdat men naast de grondwettelijke vrijheid ook de eigen identiteit benadrukt. Maar wie doet dat in een gemeenschap niet in zekere mate? In België bijvoorbeeld woedt de worsteling tussen Frans- en Nederlandstaligen nog altijd voort; ook een identiteitskwestie. Wat de (ex-)immigranten betreft is het niet wij versus de anderen, maar bestaat slechts het onderscheid tussen autochtone en allochtone Belgen, ten noorden van Wuustwezel: Nederlanders. Dat is even wennen. Zeker als je nog inde recente verkiezingsstrijd sommige politici hoort spreken over «de allochtonen» alsof het gaat over de veestapel tijdens de MKZ-crisis.

Onze landgenoten met, om in termen van Opsporing verzocht te spreken, een mediterraan uiterlijk of getinte huidskleur zijn allang niet meer op visite. Dat heeft Abou Jahjah goed gezien.

HARRY KUIPER, Rotterdam

Fatale vrouwen

Na de derde dinsdag in september kwam staatssecretaris en LPF’er Cees van Leeuwen van Cultuur en Media erachter dat men had vergeten het kunstbeleid op te laten nemen in het regeerakkoord. Met de verkiezingen voor de deur begreep ik eigenlijk niet helemaal waarom geen politicus deze blunder heeft aangegrepen om iets zinnigs te zeggen over kunst en cultuur en bijna geen enkele partij kunst als belangrijk programmapunt opvoert.

Deze politieke veronachtzaming, die haar grondslag lijkt te vinden in het idee dat de kunst zichzelf maar moet zien te bedruipen en dat kunstenaars gewoon marktgerichter moeten denken, wordt steeds vaker weerspiegeld in de media.

Een kritiekloze kunstreportage als die van 2Vandaag op zaterdag over de Femme Fatale-tentoonstelling in het Groninger Museum (zie ook De Groene Amsterdammer, 25 januari) is hiervan een goed voorbeeld. Ondanks mooie plaatjes en puike voice-overs was daar helaas ook het bijna onontkoombare gesprek met «de echte schilder». Toen die vervolgens, zonder te worden terechtgewezen, kon beweren dat geen enkele vrouwelijke schilder zich ooit zou hebben gewaagd aan het portretteren van femme fatale-figuren, wist zelfs ik als leek dat er waarschijnlijk niet erg veel research was gedaan. Dus pakte ik het enige kunsthistorische boek dat ik op dit gebied heb uit de kast en vond daarin een aantal afbeeldingen van bijzonder mooie schilderijen van Artemisia Gentileschi, die begin 1600 op zes doeken het apocriefe oudtestamentische verhaal van Judith verbeeldde. Judith, die de Assyrische generaal Holofernes verleidde om hem daarna in zijn slaap te vermoorden, is een prototype van de femme fatale en blijkt ook veel mannelijke schilders (onder wie Rubens) te hebben geïnspireerd. Over het werk van Gentileschi zegt het boek Women, Art and Society: «De typerende quasi-preutse oogopslag en de afgewende starende blik van de vrouwfiguren van westerse schilderijen zijn hier afwezig. Het resultaat is een directe confrontatie, die de conventionele verhouding tussen een ‹actieve› mannelijke toeschouwer e3 een ‹passieve› vrouwelijke ontvanger ontwricht.»

Ik weet niet of de Femme Fatale-tentoonstelling werkelijk geen werken van vrouwelijke artiesten tentoonstelt, maar het feit dat Joan Collins de expositie mocht openen doet vermoeden dat het museum eerder mikt op het leger van soapverslaafde Nederlanders dan op kunstliefhebbers die geïnteresseerd zijn in gender-vraagstukken. Hoe het ook zij, het tijdvak dat als uitgangspunt is gekozen (1860-1910) kent wel degelijk schilderessen die zich met het thema bezighielden. In 1889 schilderde Evelyn Pickering de Morgan bijvoorbeeld de verleidster en kindermoordenares Medea. Niet als een bloeddorstig monster met rollende ogen, maar eerder als een in gedachten verzonken tovenares.

Dat vier eeuwen na Gentileschi de «verhouding tussen een ‹actieve› mannelijke toeschouwer en een ‹passieve› vrouwelijke ontvanger» nog steeds conventioneel is, viel me overigens al eerder op: bij Barend en Van Dorp, toen Femke Halsema en Ayaan Hirsi Ali door Frits Westers werden beticht van schoolmeisjesachtige, woedende blikken.

Gelukkig hadden ze een weerwoord. Dat geeft hoop.

JULIETTE VAN DIJK, rockzangeres