Ingezonden brieven

Grrr

God, Darwin en Hume

In Marcel Hulspas’ aardige artikel «Knagen aan de bijbel» (in De Groene van 4 november) over het gemak waarmee vele Amerikanen een geloof in God en Wetenschap combineren, zijn helaas een aantal vergissingen geslopen. Het betreft voornamelijk de paragraaf waarin wordt beweerd dat rond 1900 niet het darwinisme de geloofwaardigheid aantastte van de bijbel, maar dat «hogere tekstkritiek» ten grondslag ligt aan een «systematische analyse van de bijbel». In deze paragraaf is sprake van «o zo redelijke en logisch geformuleerde mokerslagen» die uitgedeeld zijn door John Hume. Met die laatste wordt waarschijnlijk de achttiende-eeuwse [sic!] Schotse filosoof David Hume bedoeld en niet zijn neef, de tragedicus John Hume, schrijver van onder meer Douglas. David Hume schreef Essay on Miracles en het na zijn dood in 1776 verschenen Dialogues concerning Natural Religion.

David Hume zou vermoedelijk erg verbaasd zijn geweest te horen dat hij in de Dialogues zou verkondigen dat het agnosticisme het enige redelijke antwoord is op de vraag of God bestaat. De Dialogues betreffen een dialoog waarin de schijn wordt opgehouden dat Cleanthes, die een soort wetenschappelijk onderbouwd deïsme (populair onder achttiende-eeuwse ontwikkelde wetenschappers en dominees) verdedigt, de winnaar van het debat is. Maar de betere argumenten zijn, zoals Hume zelf in een brief toegaf, voor de scepticus Philo, die — van Lucretius geleende — ideeën verkondigt die sterke verwantschap vertonen met belangrijke kenmerken van het darwinisme; wij weten overigens dat Darwin Hume heeft gelezen.

In Essay on Miracles verdedigt Hume een soort fideïsme, dat wil zeggen een geloof in God dat op gevoel berust en geen rationele gronden heeft. Het zou ook heel gek zijn geweest als Hume argumenten voor het agnosticisme had gegeven, want volgens zijn eigen filosofie is geloof, van welke aard ook, eigen aan de mens. Hume zou hierom, denk ik, niet verbaasd zijn geweest over de diepe aantrekkingskracht die het christendom, en godsdienst in het algemeen, in Amerika nog altijd heeft. Immers de grondleggers van Amerika volgden het advies van zijn goede vriend Adam Smith op en stonden geen staatsgodsdienst toe. Het is jammer dat in de interessante vergelijking die Hulspas trekt tussen Amerika en het Romeinse Rijk, waarin ondanks de vervolgingen van christenen over het alge meen juist vele godsdiensten toegestaan werden, juist deze overeenkomst niet genoemd wordt. Doordat in Amerika vele concurrerende en elkaar beloerende sektes actief zijn, wordt er in bijna alle godsdienstige behoeftes, en dus ook die van de wetenschappers, voorzien. Dit zou zelfs de teloorgang van het christendom in Europa kunnen verklaren: in Europa bestond bijna overal, expliciet of impliciet, een lokaal monopolie op het ware geloof.

Ten slotte is het niet juist dat Hulspas de grondslagen van een systematische, kritische tekstanalyse van de bijbel aan Hume toeschrijft. Hume had gelezen hoe Spinoza al een eeuw eerder in Tractatus Theologico-Politicus (dat weer de invloed laat zien van het werk van de Fransman La Peyrère) het begin voor zo'n analyse had gemaakt. Bovendien had Thomas Hobbes nog eerder in Leviathan al beweerd dat Mozes waarschijnlijk niet het hele Oude Testamant geschreven had. De «ontdekking dat de (…) vijf boeken van Mozes door verscheidene auteurs geschreven moesten zijn» was in de tijd van Hume, die zich aan dit onderwerp nooit heeft gewaagd, dus al oud nieuws.

ERIC SCHLIESSER, Chicago