Ingezonden brieven

Grrr

De Roy van Zuydewijn

Het is goed te lezen dat de dissertatie van dr. Edwin de Roy van Zuydewijn (besproken door Pieter van Os in De Groene Amsterdammer van 26 april) werkelijk bestaat en degelijk is. De voornaamste kritiek van Pieter van Os is dat De Roy zijn keuze niet legitimeert. Zinnen als «hinderlijker is» en «lijkt aanvankelijk willekeurig» wekken echter de indruk van een rommelkamer. «Het onderzoek vraagt dus om een andere legitimering. Die geeft De Roy nauwelijks», aldus Van Os.

Dat is niet terecht. De Roy formuleert expliciet al zijn hypothesen over de verandering in het Duitse wapenbeleid in de periode 1950-1970 en hij spelt de historische achtergrond uit. De Roy presenteert drie algemene verklaringen voor de veranderingen in het wapenbeleid van Duitsland: a) dat de staats bureaucratie zelf een primaire bron van verandering was in het wapen leverantiebeleid in Duitsland; b) dat de buitenlandse belangen het zwaarst wogen bij het wapenbeleid; c) dat de voornaamste reden het afkalven van de moraliteit in de politieke arena was. De Roy argumenteert dat deze bronnen van verandering op zich plausibel zijn, maar niet genoeg verklaren. Hij voegt twee verklaringen toe: 1) de relatie tussen de ontwikkeling van regelgeving en wettelijke beperkingen enerzijds en het wapenbeleid anderzijds; 2) het algemene proces van vermindering van regeringscontrole op wapen leveranties. De Roy formuleert dan de kern van zijn hypothese: zowel interne als externe factoren zijn bronnen van verandering in het Duitse wapenleverantiebeleid.

Van Os schrijft dat De Roy geen niet eerder gelegde steen aan het grote bouwwerk van de wetenschap toevoegt: «Alhoewel dit een populaire rechtvaardiging is, getuigt ze ook van een weinig originele of visio naire blik.» Van Os heeft het verband tussen de historische context en de politicologische hypothesen van De Roy niet kunnen leggen. Want De Roy schetst al in de inleiding de historische achtergrond in de jaren 1950-1980. West-Duitsland maakte in die periode twee transformaties door: a) democratisering, dus regering en verantwoording jegens parlement, waarbij de relatie met Israël een belangrijke kern was voor de moraalpolitiek; b) noodzaak van economische groei en exportbevordering, waarbij wapenleverantie ook nog eens de weg opende naar olieleveranties uit het Midden-Oosten. Een complicerende factor was de nieuwe staat Israël, die ook wapens nodig had om zich te handhaven in het Midden-Oosten. West-Duitsland moest twee met elkaar strijdende partijen te vriend houden, zowel binnenlands als buitenlands. Het probeerde dat te doen door achter de schermen te werken en de compartimenten gescheiden te houden. Daardoor ontstond een kloof tussen verschillende lijnen in buitenlands zowel als binnenlands beleid. Dat was een nieuw verschijnsel in een democratische staat die sterk afhankelijk was van de internationale publieke opinie. Een dergelijk probleem bestond niet in Wilhelminisch of nazi-Duitsland. Dit is geen nietszeggend onderwerp, zoals de bespreking stelt. Het is uitermate belangrijk en actueel.

Storend is het psychologiseren. Van Os schrijft: «Opvallend is daardoor dat De Roy (…) slechts door zijn zakelijke, wetenschappelijke toon heen breekt wanneer hij een lichte verontwaardiging niet kan onderdrukken over de machtspolitiek die hij zelf beschrijft. Juist die passages van de wetenschapper maken het verleidelijk te psychologiseren.»

Ik vraag me af waar die passages staan. De Roy heeft niet een dissertatie geschreven die past bij een achterdochtige persoonlijkheidsstructuur. Vraagstelling en hypothese hebben een algemene en bovenpersoonlijke kwaliteit. Als De Roy gefoezel wilde aantonen, had hij legio historische voorbeelden kunnen kiezen. Het centrale punt in de dissertatie is niet gerommel, maar het gedrag van overheid, staat en belangengroepen, die er belang bij hebben informatie achter te houden. De dissertatie laat het beeld zien van een onderzoeker die de hoofdlijnen niet uit het oog verliest en niet buiten z’n boekje gaat.

DR. IR. J.W.T. BOTTEMA, Amstelveen

Oorlog tegen drugs

Een oorlog kent meestal twee partijen. Zo ook een oorlog tegen drugs. Het is enigszins kort door de bocht van René Zwaap (in het artikel Ketters en kardinalen in De Groene Amsterdammer van 26 april) om louter de aanvallende partij in de schijnwerpers te zetten. Bovendien heeft de verdediging ook in eigen land nog aanhang. Het was een amendement van europarlementariër Hans Blokland dat met één stem verschil werd aangenomen en Buitenweg deed besluiten om bakzeil te halen. Is Hans Blokland ook een conservatief? Ongetwijfeld, maar conservatieven vormen in het Europees Parlement geen fractie. daar is het Zweedse parlementslid Pyrken ook geen lid van, want deze man of vrouw bestaat niet. Wellicht doelt Buitenweg op de Oostenrijker Pirker? In ieder geval schiet de jonge europarlementariër hier dus twee keer mis. Ook bepaald geen voltreffer voor Zwaap.

WALTER MONSTER, Brussel

voorlichter Eurofractie ChristenUnie-SGP

Shakira

Net als de heer Zwaap (zie Godin van de Nieuwe Tijd in De Groene Amsterdammer van 3 mei) ben ik zeer onder de indruk geraakt van het fenomeen Shakira. Van de week beluisterde ik — een man van middelbare leeftijd die zijn interesse voor popmuziek reeds lang verloren heeft — bij toeval, uit verveling, de jongste cd van de Colombiaanse diva in een warenhuis aan zo’n zelfbedienings-muziekbeluisterinstallatie. Tegen alle verwachting in moest ik vaststellen dat het een meesterwerk betrof. Bij één nummer sprongen zelfs de tranen in mijn ogen en ze rolden over mijn wangen. Aangezien ik geen cd-speler bezit, moet ik nu iedere dag naar het betreffende warenhuis om naar mijn favoriete gedeelten van Laundry Service te luisteren. De verliefdheid is van zuiver artistieke aard aangezien ik mijn aanbedene nog nooit heb zien buikdansen — ook een televisie bezit ik niet. De laatste keer dat ik enthousiast was over een popmusicus was een decennium geleden (Kurt Cobain). Om de kunstenares zelf te citeren: «Estoy a tus pies» (Ik lig aan je voeten).

CARL GERRITSE, Amsterdam