Ingezonden brieven

Grrr

Iets-isme

In zijn essay Theologie van de leunstoel (in De Groene Amsterdammer van 16 augustus) houdt Thijs Wöltgens een pleidooi voor het iets-isme. Volgens Wöltgens staat het 0-0 tussen theïsten en atheïsten. Immers, zo betoogt hij, theïsten kunnen niet bewijzen dat God bestaat, atheïsten kunnen evenmin het omgekeerde. Dat klopt. Zoals je ook niet kunt bewijzen dat kabouters of boze geesten niet bestaan. De bewering dat God bestaat, valt eenvoudig niet te weerleggen, om de simpele reden dat deze bewering zich onttrekt aan de mogelijkheid van een wetenschappelijke verificatie.

Iets heel anders is de vraag of er een God zou kunnen bestaan. Maar dan moeten we hem wel definiëren. Hetgeen wederom problemen oplevert. We kunnen het echter simpel houden en hem definiëren als een of andere bovennatuurlijke kracht die de gehele kosmos heeft geschapen, inclusief de aarde met alles erop en eraan.

Welnu: kan zo’n bovennatuurlijke kracht bestaan? Let’s face it: erg waarschijnlijk is dat niet. Er is tot nog toe geen enkele bovennatuurlijke kracht ontdekt. Trouwens, hoe zou je moeten vaststellen dat die kracht bovennatuurlijk is? Iedere kracht die we hebben ontdekt (elektromagnetisme, zwaartekracht) is per definitie «natuurlijk», want klaarblijkelijk voorkomend in de natuur. Zo’n «hogere» kracht is ook nergens voor nodig: voor de oerknal en daarmee voor het ontstaan van het heelal heb je «slechts» een kwantumrimpeling nodig en voor leven (zoals op aarde) voortplan ting/overerving en mutatie/selectie.

Een tweede aspect dat Wöltgens aanroert, is het geweld door atheïsten en theïsten gepleegd. Ook hier behandelt Wöltgens de zaak als een match, want de stand is 1-0 in het voordeel der theïsten. Dat komt volgens hem doordat regimes, zoals de communistische, die het atheïsme tot staatsgodsdienst hadden verheven, veel meer slachtoffers hebben gemaakt dan welk theïstisch regime dan ook. Dat is, als we ons tot de twintigste eeuw beperken, waar. Alleen: communistische regimes hadden het atheïsme niet tot staatsgodsdienst verheven, maar het communisme zelf, met Marx als God.

Kijk heden ten dage eens naar Noord-Korea. Daar heerst Kim, de almachtige, de alwetende, schepper van de hemel op aarde, Noord-Korea genaamd. Mij lijkt dat religie pur sang. Je ziet het verschijnsel van niet-godsdienstige ideologieën die niettemin religieus/fundamentalistische trekken vertonen ook op kleine schaal. Ik zag enige tijd terug op tv de woordvoeder van het Dierenbevrijdingsfront in debat met landbouwers. «Daar zit de as van het kwaad!» riep hij woedend. En daar gaat het dus om: het benoemen van ongewenstheden in termen van het Kwaad (dat uitgebannen dan wel uitgeroeid moet worden). Dat is de religieuze component van álle bewegingen die menen de waarheid in pacht te hebben en om die reden andersdenkenden (het Kwaad) graag een kopje kleiner willen maken. Met het atheïsme heeft dat niets te maken. En dus is het nonsens te beweren dat het ten aanzien van het geweld 1-0 staat, in het voordeel der theïsten.

Na deze kwestie behandelt Wöltgens het agnosticisme, dat hij plaatst tegenover het iets-isme. Zijn agnosten luiwammesen en kat-uit-de-boom-kijkers, de iets-isten zijn actieve God-zoekers, ja, zij zoeken de «gradaties van de waarheid dat God bestaat». Het zijn, in de visie van Wöltgens, eigenlijk net wetenschappers, die immers ook de gradaties van waarheid onderzoeken. In dit verband haalt hij de econoom J.M. Keynes aan die een verhandeling heeft geschreven over de waarschijnlijkheid dat iets waar (of onwaar) is. Let wel, het gaat hier om waarheidsvinding in de wetenschap; wat Keynes grosso modo betoogt is dat iets waar kan zijn met een bepaalde graad van waarschijnlijkheid. Uiteraard gaat dit niet over de waarschijnlijkheid dat 1 + 1 = 2, maar over zaken als bijvoorbeeld de oerknal: hoe waarschijnlijk is het dat die heeft plaatsgevonden?

«Het zoeken», aldus Wöltgens, «is een kwestie van intuïtie, gevoel voor het waarschijnlijke en fantasie. De in logica gehulde rationalisatie van de wetenschappelijke ontdekking komt pas achteraf.» Maar nu komt het: «Zo is het iets-isme een vorm van openheid voor nog niet gecanoniseerde inzichten», voegt Wöltgens hier in een adem aan toe. Wat heeft dit in hemelsnaam met waarheidsvinding in de wetenschap te maken? Is naar God zoeken werkelijk hetzelfde als zoeken naar het graviton, het hypothetische deeltje dat verantwoordelijk is voor de zwaartekracht? Of: heb je gevoel voor het waarschijnlijke als je gelooft dat tarotkaarten en astrologie een «diepere waarheid» bevatten?

Wetenschap en iets-isme zijn elkaars tegenpolen. Inderdaad zie je bij wetenschappers vaak «intuïtie, gevoel voor het waarschijnlijke en fantasie». Lopen we daarentegen het rijtje zaken af waarmee iets-isten zich bezighouden, dan zien we juist dat het de iets-isten totaal ontbreekt aan bovengenoemde eigenschappen. In plaats daarvan kenmerken ze zich door gemakzucht, domheid en de «vaardigheid» om aan te voelen met welke wind ze nu weer dienen mee te waaien. In dat opzicht is Wöltgens’ stuk symptomatisch.

HARM VISSER, Amsterdam

Iets-isme (2)

Thijs Wöltgens prijst de iets-isten omdat zij nog zouden zoeken naar God. Door dit «vurig op zoek» zijn, geven de iets-isten volgens de PvdA-prominent aan dat God niet niets is. Wöltgens geeft geen bewijs voor zijn stelling. Dat kan ook niet, want iets-isten zijn niet op zoek naar God. Ze zijn tevreden met het eerste antwoord dat in hun hoofd opkomt: «Er zal vast meer zijn, iets.» Verder gaat de zoektocht niet. Het verwijt dat de iets-ist gemakzuchtig of laf is, schuift Wöltgens af op de agnosticus. Deze lijdt volgens de oud-fractievoorzitter aan «intellectuele lafheid», en zou door zijn onverschilligheid zelfs «de grootste steunpilaar van totalitaire regimes» vormen.

Wöltgens doet de agnosticus onrecht. Hij stelt dat deze de catechismusvraag beantwoordt met: «Ik weet het niet.» En dat klinkt nogal slap. Agnosticisme is echter niet de «theologie van de leunstoel», maar, zo formuleert de Van Dale, «de leer, dat we geen kennis kunnen hebben van een boven onze ervaring uitgaande orde». De agnosticus wijst theïst en atheïst erop dat ze proberen een vraag te beantwoorden die niet op redelijke wijze te beantwoorden is. Dat is geen «onverschilligheid». Dat is stelling nemen.

Wöltgens poogt in zijn essay ook de strijd tussen theïsten en atheïsten te beslissen. Daarbij wordt zijn argumentatie echt dommig. Theïsten en atheïsten spelen volgens Wöltgens gelijk op het veld van de logica (0-0). Voor het gemak vergeet de politicus dat een theorie zwakker is naarmate er meer ongefundeerde aannamen in voorkomen. God is zo’n aanname. 1-0 voor de atheïsten.

Omdat het met de logica niet lukt, probeert Wöltgens of de theïsten van de atheïsten kunnen winnen met een «empirische benadering». Hoewel bijna alle regimes theïstisch zijn geweest, schat Wöltgens dat de weinige atheïstische (lees: communistische) regimes tweemaal zo veel mensen hebben vermoord als alle Egyptenaren, Romeinen, kruisridders, Inca’s, nazi’s en Amerikanen bij elkaar! 2-1 voor de theïsten, juicht Wöltgens.

Wöltgens’ derde argument is «de traditie». Deze heeft haar vermogen tot overleven bewezen: 3-1 voor het theïsme. Alsof alle menselijke gewoonten die overleven een streepje voor hebben op nieuwigheden of uitgestorven gewoonten. Onzin natuurlijk. Wat dacht u van golden oldies als verkrachting en moord?

«God is niet niets», formuleert Wöltgens ten slotte de voor hem «belangrijkste conclusie uit het iets-isme-debat». Alsof iets logisch gezien niets kan zijn. Het is een zinledige conclusie.

De zogenaamde «God-zoekers van nu» die Wöltgens looft, zijn niet de iets-isten, maar een groep verwarde theïsten, mensen die het geloof met de paplepel kregen ingegoten, maar er in deze samenleving niets meer mee kunnen. Iets-isten, die zoeken niet. Die zijn allang tevreden met «iets».

KEES KRAAIJEVELD

Hollak

Graag wil ik een correctie aanbrengen op het profiel van Jan Hollak (in De Groene Amsterdammer van 23 augustus), onder de titel De laatste hegeliaan. Als er één ding was waar Jan Hollak tegen was, was het hegeliaan te worden genoemd. Hij was geen navolger van Hegel, integendeel. Beter zou zijn «Hegel-kenner». Zijn dissertatie uit 1962, De structuur van Hegels wijsbegeerte, was een grondige verhandeling over en kritiek op Hegel.

Hollaks inzet is altijd geweest zijn studenten tot zelfstandig, kritisch denken te stimuleren, niet enige filosoof na te volgen. Hij wenste dat ook niet van zijn eigen manier van filosoferen: geen hollakianen. In de inhoud van het artikel komt deze inzet van Jan Hollak wel naar voren. Jammer dat zo’n titel nogal dominant is.

DOOR HOLLAK-NUSE, Amsterdam