Ingezonden brieven

Grrr

Economie van de kunst

Het boek Why Are Artists Poor: The Exceptional Economy of the Arts was me in de boekwinkel al eens opgevallen. Volgens de kaft is de auteur econoom, beeldend kunstenaar en fotograaf. Benieuwd bekeek ik het: geen plaatjes. Wegens de prijs liet ik het boek liggen. Maar ziedaar: in De Groene Amsterdammer (30 augustus) vat Hans Abbing zijn boek in een essay samen.

Helaas! Op de vraag «waarom kunstenaars arm zijn» geen antwoord. Over de kunsthandel, verantwoordelijk voor de verdeling van geld, geen woord. Abbing is wel bezorgd: «Omdat te veel kunstenaars een te hoge prijs betalen voor de hoge status van de kunst.» Zijn redenering is grofweg: er zijn zeer veel arme kunstenaars en zeer weinig rijke. De rijke ergeren zich aan de arme, dus die arme moeten weg. De beeldendekunstfotograafeconoom verhult zijn opinie in een wolk van socio-psycho-economische kletspraat. «De huidige habitus in de kunsten, met zijn nadruk op opoffering, is niet van alle tijden. Wat dit betreft is het veelzeggend dat anderhalve eeuw geleden de beeldende kunstenaars in Nederland geen lage inkomens verdienden.»

Hogere inkomens? Multatuli schreef anderhalve eeuw geleden al: «Die schilderijen zyn ‹mooi›. Gelukkig dat zulk volkje altyd om geld verlegen zit. Ik heb ze hem afgekocht voor een prikje. Dan ben je-n-’n dief.»

Waarom nemen kunstenaars volgens Abbing genoegen met een laag inkomen? Omdat ze «worden gecompenseerd voor hun lage financiële vergoeding in de vorm van een niet-monetair of psychisch inkomen». Je moet er maar opkomen! «Mam, wat eten we?» «Niet-monetair of psychisch inkomen, liefje.» «Ha, lekker!» Armoede is dus psychisch.

De andere reden waarom ze dat volgens Abbing doen: ze hebben een «werkvoorkeur» die maakt dat ze arm zijn. Wat moeten ze dan, de bond bellen om een cao af te dwingen? Nog een reden: ze zijn slecht geïnformeerd. Kunstenaars geloven in de kunst, of niet. Als ze geloven zijn ze misleid, en is hun armoede «echt». Als ze weten waarover het gaat is hun armoede hun eigen schuld. Abbing zegt dat veel omwolkter, maar dat is wel wat er staat. Abbing gaat verder. Van die gelovigen moeten we het niet hebben want die zijn ongeschikt voor andere banen. Het zijn gokkers, overdreven zelfverzekerd, kortom: gek.

En nog een reden: de heilige status van de kunst. Van Gogh zou daar ongewild aan hebben bijgedragen. Ongewild? Multatuli schreef: «Kunst kan veel. Ze staat hoog, zeer hoog. Zonderling is ’t echter dat de wereld altyd even inkonsekwent, dat is altyd oneerlyk — den kunstenaar minacht, en ter-zelfder tyd te veel van ’m vordert. (…) ’t Ideaal van artist zyn, is ’t volkomene, namelyk heiligheid en blyft dit, ook al ware hyzelf onbewust van verband tussen zyn kunstdrift en deugd.» Deze houding was anderhalve eeuw geleden al mode. Van Gogh deed daar heel gewild aan mee. Abbing schrijft nu: «Enerzijds profiteren succesvolle kunstenaars daarom van de hoge status in de kunst met zijn vele verliezers. Maar anderzijds willen veel succesvolle kunstenaars ook af van deze negentiende-eeuwse verering die weinig met de kwaliteit van hun werk te maken heeft. Ze zijn liever competente professionals dan priesters. En ze schamen zich voor de vele verliezers die niet passen in een modern beroep.»

Hoe komen we van die losers af, die misfits die genoegen nemen met een niet-monetair of psychologisch inkomen? Die verdraaide werkvoorkeur toch. Op de Parijse Salon van 1863 werden meer dan vijfduizend kunstwerken aangeboden waarvan de helft werd afgewezen. De kunstenaars namen daar geen genoegen mee. De gemoederen liepen zo hoog op dat Napoleon III zich gedwongen zag een salon in te richten voor de geweigerden: Manet, Pissarro, Sisley, Jongkind, Cézanne, Fantin-Latour et cetera. Of deze kunstenaars van zichzelf vonden dat ze bewogen «tussen offer en opoffering», zoals Abbing dat noemt, weet ik niet. Ik weet wel dat er van de toegelaten succesvolle competente professionele jongens van 1863 weinig of niets meer wordt gehoord. Van Gogh was toen tien jaar.

De werkelijke status van de kunst komt van elders. Anderhalve eeuw geleden schilderde Millet l’Angélus: een boer en een boerin in een aardappelveld, de handen gevouwen, hoof den gebogen, er luidt een klok… Dat doek werd Millet afgekocht door een econoom voor duizend francs en doorverkocht voor 800.000 francs. Waarom was die schilder arm? Door de uitzonderlijke kunst van de economie! Kortgeleden zag ik een foto van een huisuitzetting. Alle huisraad op straat, vuilniswagen erbij, politie. Tussen de spullen stond de uitgezette man die een lijst droeg met daarin een reproductie van l’Angelus. Blijkbaar heeft zijn smaak voor Millet niet kunnen voorkomen dat hij op straat werd geflikkerd. Waarom was die man arm?

Nog een economisch kunstje. De BBC vertoonde ooit een kunstveilig waarop Saatchi opbiedt tegen Tate-Modern. Nadat de prijs is opgejaagd, koopt Saatchi en stalt de spullen vervolgens in de Tate, waar het publiek zich komt vergapen aan de succesvolle competente professionele kunst. Nee, niet aan de kunst maar aan het feit dat die «rotzooi» zoveel geld heeft opgebracht. Wat ze komen bewonderen is de uitzonderlijke kunst van de economie. Dat is de status van de kunst. Daarover heeft Abbing geen woord geschreven, al voel ik het overal uit zijn wolkerigheid zeiken.

AART CLERKX, Amsterdam