Ingezonden brieven

Grrr

De dialectiek van het snobisme

Rob Hartmans bedriegt zijn lezers wanneer hij in De Groene Amsterdammer (18 oktober) verkondigt dat Adorno’s politieke oordeel vóór de oorlog werd gehinderd door een blinde vlek voor het antisemitisme en een onderschatting van het totalitaire karakter van het Derde Rijk. Zonder nadenken accepteert hij de misleidende wijze waarop Bertus Mulder in zijn proefschrift over Andries Sternheim een kritische opmerking van Adorno over een tekst van Sternheim presenteert. De letterlijke formulering van Adorno’s kritiek luidt: «NB zelfs de pure kennis van de situatie in de totalitaire staten is bij St(ernheim) uiterst gebrekkig en zoals al deze lieden overschat hij danig de ideologie, houdt haar ook voor veel eenduidiger dan zij is» (brief aan Horkheimer, juli 1937). Een artikel over Karl Mannheim uit hetzelfde jaar bewijst dat Adorno niet het nazisme bagatelliseerde, maar, integendeel, aandacht vroeg voor het barbaarse karakter van de totalitaire praktijk. «Echt regressief en precies daarom onbewust zijn die anaal-sadistische drijfveren, die (…) via veroordelingen op grond van ras en droogleggingen van moerassen (uitgevoerd door dwangarbeiders — km) tot zuiveringsacties en het allerergste leiden. Daaren tegen is de romantische bezwering van oude maatschappij- en bewustzijnsvormen als ‹manifeste droom inhoud›, (…) slechts verhullend (…). Deze vormen zijn (…) gemakkelijk te doorzien, brokkelen af, en zijn willekeurig uitwisselbaar; hun gewicht wordt doorgaans danig overschat.» (Gesammelte Schriften dl. 20.1, p. 27).

Een filosoof die in 1937 de totalitaire drang om te verdelgen op het spoor kwam, en daarmee verder zag dan vele anderen op dat ogenblik, wordt door een recensent die zijn bron niet controleert voor rotte vis uitgemaakt. Twee jaar eerder had Adorno, na te zijn teruggekeerd van een reis naar Duitsland waar familie en vriendin verbleven, in een brief aan Horkheimer de situatie in de totalitaire staat geschetst: «In Duitsland was het verschrikkelijker dan ooit, het land is werkelijk tot in de kleinste details van het dagelijks leven een hel geworden. Over het lot van onze kennissen vandaag slechts dit: Liesel Paxmann is dood. Zogenaamd bij familie aan longontsteking gestorven, in werkelijkheid, naar ik uit goede bron heb vernomen, in politiek voorarrest in Düsseldorf.» Een jaar daarna, op 30 oktober 1936: «Verder lijkt na de toespraak van Goebbels (op de 29ste), waarover vandaag werd bericht, een nieuwe hetze tegen de joden los te barsten.» In februari 1938, met een helderheid die nog steeds verbijstert: «De Europese situatie is volstrekt wanhopig; (…) Oostenrijk zal Hitler ten deel vallen en deze zal daardoor, in een door succes betoverde wereld, opnieuw ad indefinitum stabiliteit afdwingen op basis van de meest afgrijselijke terreur. Er valt nauwelijks nog aan te twijfelen, dat in Duitsland de nog aanwezige joden zullen worden uitgeroeid: als van alle bezit beroofden zal geen land ter wereld hen opnemen. En voor de zoveelste keer zal er niets gebeuren: de anderen hebben hun Hitler verdiend.»

Kortom, Hartmans moet zich schamen: is het verzameld werk dit jaar niet overal verkrijgbaar? Hij had slechts het eerste hoofdstuk (1938) van Versuch über Wagner met de analyse van het antisemitisme hoeven lezen, of het aforisme Der böse Kamerad (1935) dat in Minima Moralia werd afgedrukt.

Tot slot Hartmans’ poging om Adorno’s Amerikaanse ballingschap af te schilderen als overwegend doorgebracht in snobistische afhankelijkheid van Thomas Mann (hoewel in 1944 de laatste hand was gelegd aan de Dialektik der Aufklärung waarin de Elemente des Antisemitismus waren opgenomen en het Institut für Sozialforschung sinds 1939 door empirisch onderzoek op dit gebied zijn nek had uitgestoken). Deze bedrieglijke slotmanoeuvre dwingt tot de conclusie dat de blinde vlek die Hartmans bij Adorno meent te constateren geen andere is dan de zijne.

KAREL MARKUS, Amsterdam