Ingezonden brieven

Grrr

Terra Incognita

Ik was diep onder de indruk van Kees Beekmans’ essay «Terra Incognita» (in De Groene Amsterdammer van 24 januari). Een verademing na en naast de vele weinig doordachte en weinig kundige commentaren over en naar aanleiding van de moord op de Haagse vmbo-school. Beekmans weet waar hij over spreekt, toont grote betrokkenheid, blijft rustig en nuchter, maakt een glasheldere analyse en laat het daarbij. En dat is goed, want op basis daarvan kan «het werk» beginnen. En dan komt dat verrassende slot, als een soort venstertje op wat mogelijk is…

ANNEMIEKE MALTHA, Amsterdam

Eerwraak

Het essay «Eerwraak, sluiers en bruiden uit het land van herkomst» van Ieme van de Poel (in De Groene Amsterdammer van 17 januari) geeft mij de moed eindelijk eens te schrijven: we hebben het allemaal al lang in ons land gehad.

Het verschijnsel dat mensen uit een «andere» cultuur naar een ander — in dit geval — deel van het land trokken, is niet nieuw. Eind negentiende eeuw trokken Friezen, Zeeuwen, «Eilanders» (ten zuiden van Rotterdam) uit hun streek, dat wil zeggen uit hun cultuur, weg, naar de grote steden, met name naar Rotterdam en Amsterdam. Ze kwamen terecht in buurten die door hun komst noodzakelijk gebouwd moesten worden. Niet alleen de Staatsliedenbuurt, die mevrouw Van de Poel noemt. Stel u voor: van een boerderij naar acht-hoog- achter.

Ik weet uiteraard heel goed dat dit toen iets heel anders was dan de komst nu van wat wij allochtonen zijn gaan noemen. Maar de provincialen gingen ook uit armoe omdat de grote stad hun mogelijkheden bood die ze thuis niet hadden. Ze stuurden ook een deel van hun loon naar huis, vaak met het gevolg dat gezinsleden eveneens overkwamen. En de taal was ook in het geding. Veel Friezen verstonden het «Hollands» niet of slecht, en het omgekeerde was helemaal het geval.

De Berbers die (zoals een deskundige me eens zei) «gisteren nog achter de schapen liepen» en «vandaag in een fabriek of iets dergelijks staan», zijn voor vergelijkbare psychologische en sociologische problemen geplaatst als de plattelanders van toen in ons eigen land.

In dezelfde tijd (eind negentiende eeuw) vochten in mijn geboorteplaats de jonge mannen uit de «Zaagkoele» overigens ook nog met die van het «Sluiterveld» als er één een meisje uit het andere gebied «had». En daar kwamen ook messen aan te pas.

Germaine Tillion heeft volgens Van de Poel gewezen op de gevolgen van de abrupte overgang van platteland naar stad. Laten we dus eens bedenken dat de plattelanders met hun eigen cultuur in ons land van de negentiende eeuw er net zo voor en in stonden. Laten we eens onderzoeken of deze parallel een mogelijkheid biedt tot oplossingen voor de huidige problematiek. Zonder overigens de kwalitatieve en kwantitatieve verschillen te vergeten. Maar het eigene, het meegebrachte, het overgeleverde is ook een «toevlucht» als bescherming.

JOOP FOEKEMA, Utrecht

emeritus predikant