Ingezonden brieven

Grrr

Filosofie in Amsterdam

Bij het filosofieonderwijs aan de Universiteit van Amsterdam is onherstelbare schade aangericht, zo kan men lezen in de openingsregels van het artikel «Filosofie als curiositeit» van Joris van Casteren en Rosan Hollak (in De Groene van 23 september). Wie de filosofie een goed hart toedraagt, moet hierdoor ernstig verontrust raken. Maar wat kan men nog doen, als de patiënt op sterven na dood is? Toch niet veel meer dan anticiperen op de rouw om het verlies en het treffen van voorbereidingen voor het schrijven van een necrologie.

De werkelijke toestand is anders. De afdeling functioneert nog naar behoren en er is reden tot kritiek. Ik zal hier een poging wagen enkele van mijn punten in een wat zakelijker setting naar voren te brengen.

Mijn kritiek op de Wet Modernisering Universitair Bestuur (MUB) bestaat daaruit dat deze de universiteiten te veel benadert vanuit het perspectief van de organisatiestructuur van een onderneming die producten fabriceert voor een afzetmarkt. Is voor een dergelijke onderneming een hiërarchische organisatie wellicht nog wel geschikt, voor een «professionele» werkeenheid als een afdeling van een faculteit, waarbinnen de leden van het wetenschappelijke personeel toch op grond van hun zeer specifieke en uiteenlopende deskundigheden op een collegiale wijze moeten samenwerken in onderzoek en onderwijs, is deze naar mijn oordeel niet gewenst. In dit kader heb ik dan ook de opmerking gemaakt dat een universiteit niet georganiseerd dient te worden op de wijze van een chocoladefabriek. Ik had er overigens bij gezegd dat ik deze metaforische uitspraak niet zelf had bedacht, maar ontleend aan een artikel over de MUB dat enige tijd geleden in NRC Handelsblad heeft gestaan.

Een tweede punt betreft de opname van wijsbegeerte, tezamen met godgeleerdheid en letteren, in de faculteit der geesteswetenschappen. Als we de theologie buiten beschouwing laten, is dit in bestuurlijk opzicht een terugkeer naar de situatie van voor 1963. In dat jaar werd de Centrale Interfaculteit opgericht, waarin de filosofen uit de faculteit der letteren en de (wetenschaps)filosofen die in andere faculteiten werkzaam waren, werden samengebracht. De benaming weerspiegelt de opvatting die men toentertijd had over de plaats van de filosofie in het universitaire onderwijs. Men meende dat het academische onderwijs in de verschillende wetenschapsgebieden zich niet moest beperken tot overdracht van informatie en vaardigheden, maar ook een kritische zin en een methodisch besef diende te ontwikkelen, alsook enig inzicht diende te bevorderen in de normatieve kwesties die in de hedendaagse cultuur spelen. In dat opzicht had men de filosofie een belangrijke rol toegedacht. Voor wie zo denkt, ligt een bestuurlijke koppeling van wijsbegeerte met alleen de alfawetenschappen niet voor de hand.

Nu zou men kunnen zeggen: zo belangrijk is het bestuurlijke kader nu ook weer niet, het hangt er tenslotte van af hoe een en ander georganiseerd wordt. De filosofie zou haar kritische functie binnen de universiteit toch ook kunnen blijven vervullen als zij samen met letteren en theologie in één faculteit is ondergebracht. Inderdaad, zoiets is niet uitgesloten. Vandaar dat ik vond dat de auteurs ook diegenen moesten spreken die de nieuwe onderwijs- en onderzoekstructuren hadden ontworpen.

Een ander door mij genoemd, inhoudelijk argument tegen het opgaan van filosofie in een faculteit met de geesteswetenschappen is enigszins merkwaardig in het artikel terechtgekomen. De auteurs schrijven dat literatuurwetenschappers een cultuurfenomeen dat buiten hen staat bestuderen, terwijl de filosofie zichzelf bestudeert. Ook als we afzien van de kreupele vergelijking van de beoefenaars van de literatuurwetenschap met de filosofie zelf, moet wat hier staat als nonsens worden aangemerkt. Filosofie is geen vak van navelstaarders. Ik had een heel andere stelling verdedigd, namelijk dat in de filosofie de relatie tot wat zij onderzoekt van een geheel andere aard is dan de relatie die in een geesteswetenschap met het onderzoeksobject wordt gelegd. Reflectie op de grondslag van haar kennis omtrent een specifieke toedracht behoort tot de filosofie zelf, reflectie op de instituerende principes van een geesteswetenschap behoort niet tot het objectgebied van die wetenschap. Ik weet het, ook deze gedachte staat binnen de filosofie ter discussie, maar dat maakt haar nog niet onzinnig. Verder heb ik nog op een tweede verschil gewezen. Als een literatuurwetenschapper een artikel schrijft over een roman of gedicht, dan is de tekst van zijn hand zelf geen onderdeel van het corpus van de door hem bestudeerde literaire teksten. Maar als een filosoof teksten van andere filosofen uitlegt en becommentarieert, dan wordt van hem verwacht een tekst te schrijven die een bijdrage levert aan de verdere ontwikkeling van bepaalde gedachten binnen de filosofie zelf. Dit lukt vanzelfsprekend niet altijd, maar dat is heel een andere kwestie.

Het lot van een afstudeervariant is een te smalle basis om tot een verantwoord oordeel over de toestand van de filosofie in Amsterdam te kunnen komen. Men zal dan toch op zijn minst het volledige onderwijsaanbod op het gebied van de filosofie in zijn beschouwingen moeten betrekken, hetgeen de auteurs hebben nagelaten te doen. Dat neemt niet weg dat ik het inderdaad betreur dat filosofische antropologie niet meer als een aparte afstudeervariant bestaat, om zakelijke redenen, en, begrijpelijkerwijs lijkt mij, ook om persoonlijke redenen. Wat de zakelijke redenen betreft wil ik hier alleen maar noemen dat de wijsgerige antropologie tot die onderzoeksgebieden in de filosofie kan worden gerekend waarin vragen die betrekking hebben op zowel alfa-, bèta- als gammawetenschappen in een onderlinge samenhang aan de orde kunnen komen: denk bijvoorbeeld aan de onderwerpen narratieve identiteit, virtual reality en neuropsychologie.

Op één punt moet ik mijn volledige ongelijk bekennen. Ik kan niet achterhalen waardoor het is gekomen, maar bij mij had werkelijk de gedachte postgevat dat de faculteit der wijsbegeerte haar opheffingsfeest aangeboden had gekregen door het College van Bestuur. Dat is dus niet zo. Ik had natuurlijk beter moeten weten. De oude faculteit heeft, door de feestelijke maaltijd voor personeel en studenten die het einde van haar zelfstandigheid markeerde zelf te bekostigen, de eer uiteindelijk toch aan zichzelf weten te houden.

MAARTEN COOLEN, Amsterdam
universitair docent bij de leerstoelgroep filosofie van kunst en cultuur van de afdeling Wijsbegeerte van de Universiteit van Amsterdam
Sonnen

In Loes Gompes’ profiel van Arthur Sonnen (in De Groene van 7 oktober) wordt Sonnen verweten dat hij «wendbaar is als water», ofwel met alle winden meewaait. Dat is gebaseerd op zijn opmerkelijke rede bij de opening van het Theaterfestival, waarin hij kritiek uitoefende op de constante druk van de staatssecretaris van Cultuur op de Raad voor Cultuur om economische en sociografische criteria te hanteren in plaats van artistieke kwaliteitscriteria. Hij verweet de Raad en dus zichzelf als lid van de commissie Theater van die Raad, dat daarop onvoldoende was ingegaan en daartegen onvoldoende stelling was genomen. De vraag is echter in hoeverre de Raad, en met name de commissie Theater, zich door die druk heeft laten beïnvloeden. Het antwoord is: nauwelijks. Er zijn een paar heel kleine groepjes die op sociografische gronden het voordeel van de twijfel hebben gekregen. Daarmee zijn enkele tonnen gemoeid, minder dan één procent van het totaal. Dat is nou niet iets om je werkelijk druk over te maken. Voor de economische druk van Van der Ploeg is de commissie Theater juist niet bezweken

Kwalijker is dat De Groene Arthur Sonnen van belangenverstrengeling beticht. Hij heeft immers zelf 59 procent subsidieverhoging gekregen. Dat dat extra geld bestemd is voor het Jeugdtheaterfestival dat aan het Theaterfestival gekoppeld wordt — waarmee overigens een lang gekoesterde wens van de Nederlandse jeugdtheatergroepen in vervulling gaat — hoeft kennelijk niet vermeld te worden. De Groene is bovendien kennelijk nooit op het idee gekomen dat als iemand voor de Raad voor Cultuur gevraagd wordt die zelf door het Rijk gesubsidieerd wordt, eerst door de benoemingscommissie wordt nagegaan of zo iemand zelf wel voor continuering van de subsidie in aanmerking komt. Als dat niet zo zou zijn, breng je zijn of haar medebeoordelaars wel in een erg onmogelijke situatie.

De integriteit van de leden van de Raad voor Cultuur in diskrediet brengen is om nog een veel belangrijker reden verwerpelijk. De Raad voor de Kunst is na de Tweede Wereldoorlog opgericht omdat duidelijk was geworden welk gevaarlijk wapen kunst kan zijn in de handen van de politiek. Daarom moest er een onafhankelijk adviesorgaan komen, zodat niet de politici en de ambtenaren zouden bepalen wie wel of niet subsidie zouden krijgen. In de Raad moesten met name kunstenaars zitten, om ervoor te zorgen dat artistieke kwaliteitscriteria zouden blijven prevaleren. Dat waren vanaf het begin ook kunstenaars die zelf subsidie ontvingen. De laatste tien jaar zijn de kunstenaars vrijwel verdwenen uit de Raad voor Cultuur en grotendeels vervangen door kunstmanagers.

Het is van levensbelang voor de kunst dat in de Raad voor Cultuur mensen zitten die weten hoe kunst gemaakt wordt en die zorgen dat het beleid erop gericht is dat daar de beste omstandigheden voor worden geschapen. Maar wie uit de kunstwereld zelf zal nog in de Raad gaan zitten als hij van tevoren weet dat hij geschoffeerd gaat worden? TOM BLOKDIJK, Amsterdam