Ingezonden brieven

Grrr

Eergevoel

Peter Olsthoorn en Pieter van Os schreven in hun essay in De Groene Amsterdammer van 26 juni dat «de echte liberaal een advocaat van eer» is.

Liever een geweten zonder eer, dan eer zonder geweten. Schuld verhoudt zich tot schaamte als geweten tot eer. Daarom ben ik geen groot voorstander van een herwaardering van het «eergevoel». Schuld en geweten zijn veel krachtiger instrumenten voor het sociaal handelen van de mens dan schaamte en eer.

Geweten en schuld moeten net als eer en schaamte worden aangeleerd, en naar mijn idee zou het aanleren van schuld en geweten bij de opvoeding een belangrijker plaats moeten innemen dan het aanleren van schaamte en eer. Waar eer een rem is op ons handelen omdat hij gevoed wordt door «de meningen van anderen», zou geweten een rem moeten zijn die gevoed wordt door «het belang van anderen». De mening van anderen is een veel minder krachtige en veel minder waardevolle rem. Wat eervol en oneervol is, wordt in belangrijke mate bepaald door cultuur. En soms kunnen cultuuruitingen in strijd zijn met belangen van grote groepen individuen. Bedenken we een cultuur waarin het oneervol is om in het openbaar je schuld te bekennen, dan is dat automatisch een cultuur waarin liegen een belangrijke plaats inneemt. Belangrijkste immers is het vermijden van schaamte, en in het openbaar schuld bekennen is oneervol, dus schaamtevol. Iemand die een rottige daad bekent, wordt bestraft: ontkennen loont, het vermijdt schaamte. Niet de daad op zich leidt tot schaamte, maar het bekennen van schuld. Een kind zal dus leren geen schuld te bekennen, en niet makkelijk leren dat hij geen misstappen meer zou moeten begaan, ook al heeft geen mens het gezien.

In een schuldcultuur vermindert de schuld niet door het ontkennen van de daad. Immers de daad is begaan en het geweten knaagt, ook bij ontkenning in het openbaar. Een knagend geweten is net zo erg als geschonden eer. De daad zal dus een volgende keer vermeden worden, ook als niemand het zag. Zo zou het moeten werken.

Natuurlijk kan het nastreven van eer leiden tot gedrag dat in het belang van de samenleving is, maar het kan ook leiden tot gedrag waar in dat belang niet de drijfveer is.

Ik weet bijvoorbeeld niet zo goed raad, in het kader van schaamte en eer, met iemand die in de oorlog een restaurantje drijft waar de bezetter dagelijks komt eten, niet wetend dat onder de vloer tientallen onderduikers zitten. De restauranthouder is in de ogen van de bezetter onverdacht. Hij collaboreert. In de ogen van zijn landgenoten echter gedraagt hij zich bijzonder oneervol. Hij collaboreert. En ondertussen redt hij tientallen van een zekere dood. Iemand die zich slechts zou laten sturen door eer en schaamte zou een dergelijke daad waarschijnlijk achterwege laten.

Hoe voeden we kinderen op tot sociale wezens? Er zijn verschillende manieren voor. We kunnen een alziende Meester bedenken die hun daden en zelfs gedachten kent, en die de verkeerde daden en gedachten gruwelijk zal bestraffen, ooit. Maar we moeten de kinderen er dan bij leren wat goed en wat fout is. Daarbij kunnen we zo ver gaan dat bijvoorbeeld de gedachte aan seks fout is, en liefde voor hetzelfde geslacht ook. En iemand moet dat bepalen. Dat kan een zachtaardige Meester zijn, maar ook een die andersdenkenden dood wenst.

We kunnen hem leren dat «eer» het belangrijkste is. We kunnen hem openbare vernedering in het vooruitzicht stellen, een schaamtegevoel, waarvan het kind dan eerst moet leren dat het slecht is. Ook daarvoor geldt dat «goede» en «slechte» daden moeten worden bepaald, door mensen. Dat kan betekenen dat het voor een man erger is dat zijn vrouw hem tegenspreekt dan dat hij haar slaat.

We kunnen er ook voor zorgen dat er in de mens zelf een soort rechter zit die voortdurend de daden toetst aan het belang van anderen, op basis van de stelregel: wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. De ander is een mens met dezelfde waarde als jij, dat zou de basis moeten zijn van ieders geweten. Als een dergelijk geweten in ieder mens voldoende ontwikkeld zou zijn, zouden mannen hun vrouwen niet zo vaak slaan, en zou geen mens, hoe geacht ook, een ander kunnen oproepen tot het afmaken van andere mensen.

Als Olsthoorn en Van Os willen betogen dat er meer aandacht moet komen voor het ontwikkelen van een gezond geweten, dan ben ik het met ze eens. Een pleidooi voor eer en trots zonder meer lijkt me een stap terug voor de mens.

KARIN SCHAGEN, Amsterdam

programmamaker VPRO-televisie