Ingezonden brieven en correcties

Grrr

Duizend-en-één nacht Mijn artikel over de Duizend-en-één-nacht-vertaling (De Groene van 29 april) heeft per telefoon en brief een waar aristofanisch kikkerkoor in gang gezet dat het opneemt voor de blunderorgie van Richard van Leeuwen. De brief van Brigit Kooijman (De Groene van 17 mei) was bijzonder amusant. De schrijfster verwart foute vertaling met keuzes maken en mijn verdediging van een mishandeld boek met bloeddorst. Volgens Poesjkin zijn vertalers de postpaarden van de beschaving. Welnu, ik ben er niet de lezer naar om blindelings de post te accepteren die een manke knol mij bezorgt. Ik ben niet barmhartig waar onbarmhartigheid de norm is. Ik aai vlijt niet over de bol, waar kwaliteit mij ootmoedig moet maken. Ik ben van mening dat de vertaler het nooit beter weet dan de oorspronkelijke auteur. En dat een goede vertaler naar equivalenten moet zoeken en niet naar alternatieven. De discussie over vertalen naar de geest of de letter is oud en ik ben niet van plan daar op in te gaan. Het moge duidelijk zijn welke soort vertaling ik voorsta. Vertalen naar de geest (wat dit ook moge zijn) brengt bij mij altijd het beeld naar boven van de engelen die (volgens een uitspraak van Mohammed) de mensenziel in het hiernamaals als een fiool geurige muskus van hand tot hand doorgeven, en wat er aan geurflarden in dat proces vervliegt, kan, in mijn visie, nooit en te nimmer vervangen worden door wat een vertaler in een vlaag van schijninspiratie of - nog erger - creativiteit te bieden heeft. Het hiernamaals waartoe sommige vertalers een boek veroordelen, is een folterkamer waar het oorspronkelijk woord weent en waar handige Siamese rijmwoorden op sterk water zijn gezet: hart en smart, donker en geflonker. De vertalers naar de geest hebben niet altijd zuivere doelstellingen, zoals we nu weten in het geval van de omzetters van Plato in de Renaissance. Met de beste wil van de wereld kan, om een voorbeeld te noemen, ghanadj niet als stoeien of (gruwel aller gruwelen) schel kreetje aanvaard worden. Als de verteller het eerste had willen zeggen had hij la'ab of da'ab gebruikt. Inderdaad, dat eerste wordt ook in erotische zin gebruikt in het verhaal van de slaaf Kafoer en het tweede in overdrachtelijke zin in een passage die Van Leeuwen weglaat. Ik zie hier geen geest ronddwalen, alleen woorden die te vondeling zijn gelegd. Een vertaling is geen verklaring, en waar de lezer van het origineel het plezier van de ontdekking heeft, van het ploeteren door een woud van betekenissen en toespelingen om de klare horizon van begrip te vinden, zou dit de lezer van een vertaling niet ontzegd mogen worden. En dank zij de literaire goden voor (voet)noten! En zie wat voor monumentale vertalingen we aan deze visie hebben overgehouden: Dante door Longfellow, Longfellow door Gezelle, Poesjkin door Nabokov, Rabelais door Sir Thomas Urquhart, Shahrazade door Burton. En dan arme Joost van Schendel! Ik weet niet over welke publieke lofrede hij het heeft, aangezien mijn lezing in de Nieuwe Kerk onderdeel vormt van mijn artikel in De Groene. Het enige wat ik zei was dat ik «beknabbelen» in een passage een mooie vondst vond van Van Leeuwen - een nogal genereuze uitspraak van mijn kant, aangezien het Arabisch al-‘adhdh wa 'l-hiraash betekent: «bijten, krauwen en krabben». Handelingen die volgens alle Arabische erotologische verhandelingen vereist zijn bij het voorspel. En de ironie in mijn uitspraak over de Martinus Nijhoff-prijs ontgaat hem blijkbaar in een artikel over de beschamende mongroficaties van de gedichten in de «vertaling» van Richard van Leeuwen. Hij vraagt zich af wat mij bezielt. Mij bezielen twee dingen: liefde voor en kennis van het boek - en het Arabisch natuurlijk. En Richard van Leeuwen had meer in het origineel moeten kijken en wat minder naar de Engelse vertaling van Haddawy, wiens fouten en omissies hij overneemt. HAFID BOUAZZA, Amsterdam Correcties, aanvullingen en stommiteiten\