Ingezonden brieven

Grrr

Duizend-en-één nacht
In «Zinloos vertaalgeweld» (De Groene van 29 april) geeft Hafid Bouazza lucht aan zijn diepe gekwetstheid over «verminking en verkrachting» van Duizend-en-een-nacht door vertaler Richard van Leeuwen. Maar voordat Van Leeuwens magnum opus nu als een wanprestatie de geschiedenis ingaat is het van belang erop te wijzen dat Bouazza een wel heel particuliere visie op vertalen heeft. Dit wordt duidelijk als hij zelf aan het vertalen slaat (in Schoon in elk oog is wat het bemint. De mooiste Arabische liefdesgedichten, Bert Bakker):

Een droomgestalte kwam uit verlatenheid gasten

En die ik nachtelijk bekloeg die ik toen dankend toeloech
Schoonheid had hem een weg geopenbaard

Waarop afkeur goedkeuring vindt
En ‘n blad ontrold aan een koon
Waarop schoonheid geschreven te lezen stond…

«Leesbaarheid» is Bouazza’s meest gehate woord, zo zegt hij. Hij wil de schrijver dienen, maar ik ben ervan overtuigd dat Ibn Khafadja er niet blij mee was geweest dat zijn verzen zijn omgezet in een Nederlands dat zelfs voor de meest co öperatieve lezer volslagen onbegrijpelijk is, ook al is zijn poëzie «soms bijna abstract» en «een wirwar van beeld- en woordgebruik « (aldus Bouazza in zijn nawoord).
Bouazza is zo doodsbenauwd om het Arabisch geweld aan te doen dat hij uit het oog verliest wat de allereerste functie van een vertaling is: een ontsluiting van de tekst voor lezers die de brontaal niet kennen. Ook een vertaler die besluit om «exotiserend» te werk te gaan, moet keuzes maken. Dat is helemaal niet erg, integendeel. Een vertaling is een sublieme interpretatie van een superlezer. Maar Bouazza’s heilige respect voor het oorspronkelijke Arabisch verhindert hem om keuzes te maken. Hij wil alle betekeniselementen en associaties die in een woord of woordgroep zijn vervat, vangen in het Nederlands. Het gevolg is kromme vertalingen.
Op een academische wijze, die geheel voorbijgaat aan het Nederlands als levende taal - zich baserend op historische woordenboeken - brouwt Bouazza woorden als «monkelcavalcade». En hij is er nog trots op ook!
Een bizarre, idiosyncratische visie op vertalen is tot daar aan toe. Iets anders is het wanneer je een vertaler die wel keuzes durft te maken letterlijk voor misdadiger uitmaakt. Van Leeuwen vertaalde ghanadj met «stoeien», tot grote verontwaardiging van Bouazza, want dat woord verwijst volgens hem naar «het gehele arsenaal aan koketterie en behaagtechnieken, het spel van afstoten en aantrekken dat de vrouw tot haar beschikking heeft om een man te verleiden». «Stoeien» lijkt mij niet de meest beroerde optie.
Iemand die zelf een discutabele vertaalopvatting heeft en bovendien weet dat de Japanse vertaler van Rushdie’s Duivelsverzen is vermoord omdat hij door fanatici als een misdadiger werd beschouwd, hoort een collega-vertaler met minder schuim op de mond te bekritiseren.

Brigit Kooijman,
vertaler, Haarlem

Halsema
In uw interview met politica Halsema (De Groene van 19 april) schetst zij een erg eenzijdig beeld van de vreemdelingen in ons land. Ik betwijfel of allochtonen een bijdrage kunnen leveren aan de cultuur en veiligheid in ons land. Een slordige negentig procent van de Nederlandse allochtonen heeft de islam als godsdienst, vaak in orthodoxe vorm, die op vele punten afwijkt van ons (verlicht) christendom. De islam is een zeer intolerante godsdienst, die samengaat met verminking van geslachtsdelen (besnijdenis) en scherpe onderdrukking van vrouwen, ex-gelovigen, niet-gelovigen (autochtonen!) en homoseksuelen; deze opvattingen worden in de koran en in de moskee verkondigd. Zij treden dus de Wet Gelijke Behandeling met voeten. Zolang deze islamitische allochtonen geen afstand doen van hun religieuze arrogantie («uitverkoren door Allah», volgens de koran) en intolerantie jegens met name homoseksuelen zal er van enige integratie niet veel terechtkomen. Kijkt u maar eens naar de verontrustende cijfers over schoolverzuim en -uitval en criminaliteit bij allochtonen (vijf keer zo veel als bij autochtonen) zoals het Sociaal Cultureel Jaarrapport uit 1998 beschrijft.
Halsema spreekt in haar betoog verder over respect voor de vreemdeling. Dat klinkt mooi maar alleen onder de voorwaarde dat de vreemdeling mij respecteert; dat doen weinig moslims want ik ben niet gelovig en volgens de koran dus een volstrekt onbetekenende burger. Volgens de Sharia heb ik zelfs geen recht op leven.
Een politica die willens en wetens de onveiligheid en de homohaat in ons land vergroot, acht ik een groot gevaar voor de kwaliteit van de samenleving.

A.F. MANTEL,
Utrecht