Grrr

Weinreb ‘Ik heb gelezen wat u over mij schrijft en het klopt. Maar de rest niet’, zei dominee J.D. Wuister letterlijk tegen mij aan het eind van mijn promotiereceptie. Hij had zojuist een exemplaar van Een fantast schrijft geschiedenis: De affaires rond Friedrich Weinreb gekocht en ‘wist’ meteen al dat de inhoud niet waar was. De dominee kan de onprettige historische werkelijkheid over Friedrich Weinreb, die hij zijn geestelijke vader noemt, niet accepteren. Dat blijkt ook uit het interview van René Zwaap met hem in De Groene van 19 november. De voornaamste fouten en verdraaiingen over het Weinreb-rapport en mijn boek vereisen rechtzetting.

Om te beginnen is de informatie over inhoud en ontvangst van het Weinreb-rapport uit 1976 onjuist. Het 1683 pagina’s tellende rapport is niet gebaseerd op ‘anonieme verklaringen’, maar op die van honderden mensen, voornamelijk joodse overlevenden, die met naam en woonplaats worden genoemd. Voorts is gebruik gemaakt van archiefbestanden van het Nederlandse Rode Kruis, registers van de Cellenbarakken in Scheveningen en processen-verbaal van de Politieke Recherche Afdeling. Ook brieven en verklaringen van Weinreb zelf, zijn strafdossier uit de jaren 1945-1948 en archiefstukken van zijn raadsman zijn in het rapport opgenomen. Anonieme verklaringen staan wel in het hoofdstuk over de door Weinreb als pseudo-arts uitgevoerde keuringen voor zijn nep-emigratielijst. Die namen zijn echter terug te vinden in de Weinreb-collectie van het Riod.
De ontvangst van dat rapport in 1976 bestond niet uit een lawine van kritiek. Naast enkele concrete kritische reacties van bijvoorbeeld Vrij Nederland-journalist Igor Cornelissen was de instemming vrij groot. Zelfs zo oorverdovend dat die Aad Nuis een 'leugentje om bestwil’ ontlokte in zijn als weerlegging van het rapport gepresenteerde boekje Het monster in de huiskamer, namelijk dat het rapport nauwelijks melding maakt van negatieve aspecten van Weinrebs proces in de jaren 1945-1948. In mijn boek is te lezen dat Aad Nuis mij twee jaar geleden al vertelde dat hij indertijd zo boos was dat journalisten deze bevindingen uit het Riod-onderzoek niet hadden vermeld dat hij die omissie maar op deze manier onder de aandacht had gebracht.
Dat de Tweede Kamer het Weinreb-rapport niet heeft willen behandelen, is een mythe. Scheidend PvdA-Tweede-Kamerlid J.J. Voogd combineerde in april 1981 zijn afscheidsspeech in de Tweede Kamer met de 'afhandeling’ van de kwestie-Weinreb. Hij verklaarde geen standpunt te kunnen bepalen, omdat hij zowel Nuis en Renate Rubinstein als de Riod-onderzoekers capabele en integere mensen vond. Dit was echter een persoonlijke beoordeling van de deelnemers aan het debat en niet van de feiten die boven tafel waren gehaald. Eerder al had de Kamercommissie voor de verzoekschriften de onderzoekers om een aanvullend onderzoek gevraagd. Dat verscheen in 1981 samen met de reactie op het Monster-boekje van Nuis als Kamerstuk onder de titel 'Aanvulling op het Weinreb-rapport’. De kamercommissie concludeerde vervolgens dat de zaak naar behoren was onderzocht en dat er geen taak meer voor de Kamer was weggelegd.
Over mijn eigen onderzoek het volgende: de mededeling over mijn 'naar eigen zeggen’ gevolgde 'spoedcursus van een half jaar in de psychopathologie’ is niet uit mijn mond opgetekend. Het betrof meer dan een vol jaarprogramma van colleges, excursies, tentamens en gesprekken met deskundigen aan drie faculteiten van de Leidse universiteit.
Van der Leeuw heeft mij zeker niets ingefluisterd. Ik heb hem enkele malen, voor en tijdens mijn onderzoek, uitgebreid gesproken en hem incidenteel opgebeld. Zoals onlangs in de Liro-discussie bleek, is het nuttig iemand die de weg weet als vraagbaak op de achtergrond te kennen. Dat ik voor de reconstructie van Weinrebs activiteiten in bezettingstijd niet het hele onderzoek opnieuw heb gedaan, hangt samen met mijn constatering - met archiefstukken in de hand - dat het Riod-rapport in zijn geheel genomen een goed rapport is. Nuis’ opmerking in NRC Handelsblad en Trouw dat ik het als 'bronnenboek’ gebruik en verder niet inga op zijn eerder ingebrachte bezwaren tegen het rapport, is onzin. Kennelijk heeft hij mijn boek niet (goed) gelezen. Op de pagina’s 152-154 en 296-300 bespreek ik onder meer zijn Monster in de huiskamer en verwijs ik naar de door Nuis genegeerde reactie op zijn kritiek in de 'Aanvulling op het Weinreb-rapport’.
Overigens blijkt uit mijn boek dat ik een eigen visie op Weinreb heb ontwikkeld en niet aan het handje van de Riod-onderzoekers meeloop. Zwaaps mededeling dat het enige nieuwe in mijn boek 'een niet op authenticiteit te controleren rapport van Buitenlandse Zaken’ was, hoort thuis in de Fabeltjeskrant. Ik heb gebruik gemaakt van substantieel nieuw materiaal, zoals het Weinreb-dossier van de twee zedenzaken waarin Weinreb in 1957 en 1968 werd veroordeeld. Voor de beschrijving van het incident met de 'keuring’ van twee Turkse studentes en van Weinrebs chantage van hoge ambtenaren van Buitenlandse Zaken, minister Luns en minister-president Drees zijn tientallen nieuwe bronnen verwerkt: 'strikt persoonlijke’ brieven en memoranda, codetelegrammen en geheime stukken - sommige zelfs verzegeld - die waren geborgen in een brandkast op de werkkamer van de secretaris-generaal van BZ.
Dominee Wuisters beoordeling van feiten over Weinreb lijkt te worden bepaald door zijn geloof in diens religieuze theorieën en diens daaraan gekoppelde inherente integriteit. Geloof is volgens het bijbelboek Hebreeën 'de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet’, en dat is van een andere orde dan wetenschappelijk onderzoek. Wanneer Wuister zou verklaren dat hij negatieve historische feiten over Weinreb verwerpt, omdat hij hem te goed voor slechte daden vindt, zou dat nog acceptabel zijn. Maar hij moet geen feiten verdraaien over bronnen, inhoud en totstandkoming van mijn boek, noch de wetenschappelijke en persoonlijke integriteit van A.J. van der Leeuw en W.F. Hermans aanvallen met insinuaties over een 'niet onderzocht oorlogsverleden’ of 'afgeleide schuldgevoelens’. En René Zwaap zou zich niet moeten laten souffleren zonder de feiten te controleren.
Leiderdorp, REGINA GRUTER
Heidegger (3)
Met enig zelfbedwang heb ik mij onthouden van commentaar op de uitvoerige bijdragen over Heidegger in De Groene van 26 november, al was het maar om niet wéér eens van mijn bezwaren tegen de man te getuigen. De twee ingezonden brieven over Heidegger in het kerstnummer over 'het dier’ deden me echter denken aan een aspect van zijn denken dat voor zover mij bekend, weinig of geen aandacht heeft gekregen. Te weten dat Heidegger, met zijn zware accent op de mens als representant van 'das Dasein’, geen enkele rol heeft toegekend aan onze medeschepselen de 'dieren’, die blijkbaar slechts hun minderwaardige rol spelen in de sferen van 'het zijn’. In een typische tegenstelling tot de leer van Schopenhauer, die me alleen al om deze reden altijd bijzonder heeft aangesproken.
In verband met de discussie over 'Lenin en Hitler’ mag ik nog even opmerken dat de heer Fransen uit Kruiningen in zijn ingezonden brief in het kerstnummer blijkbaar denkt dat Rusland in 1917 nog slavernij of lijfeigenschap kende. Die was echter al in 1861 afgeschaft, nog vóór de emancipatie (in 1863) in ons Suriname en - op papier - in de zuidelijke staten van de VS.
Rotterdam, E.M. JANSSEN PERIO
Bedelpartij
Het proces dat een jarenlang goedaardig meegedragen kleine ergernis kan omvormen tot de uitslaande brand van een acute rothekel, vertoont dezelfde onnaspeurlijkheden als waaraan ook de actuele fenomenen 'markt’ en 'beurs’ onderhevig zijn, zoals niet lang geleden scherp en helder in dit blad uiteengezet door Aart Brouwer.
Aangezien geen der genoemde verschijnselen erg rationeel van aard is, vrees ik dat De Groene zwaar weer te wachten staat, nu de nieuwe leiding van het onafhankelijk vooruitstrevende orgaan zich naadloos blijkt aan te sluiten bij de bedrijfsvisie van haar voorgangers (Van Amerongen-Vecht) inzake de structurele rode cijfers van des Groenes exploitatie. Dat wil zeggen: voortgaan met het uitdelen van boekjes voor het bloeden als kokette maskerade voor een gênante bedelpartij.
Het is een context waarin het gauw gebeurd kan zijn met de koopman. Waar ludiek het loodje legt, slaat het cliché gulzig toe, want de kruik gaat zo lang te water tot hij breekt; het hek is eerder van de dam en het gat van de deur dichterbij dan je gedacht had. Wat Van Amerongen als romantische scharrelaar nog met kreunen en steunen was toegestaan, kan - van de ene dag op de andere en for no reason at all - bij een uit Hollandse kluiten en met groene zeep gewassen Van Westerloo wel eens de pan uit rijzen, hoe goed die boekjes ook geschreven zijn. ’t Is maar om gewaarschuwd te hebben.
Amsterdam, ARIE KLEIJWEGT
Dieren (1)
In het vuur van het gesprek met Xandra Schutte heb ik beweerd dat in de Nederlandse veeteelt 140 miljoen dieren worden gehouden, dat wil zeggen zo'n dertig dieren per huishouden - ongelooflijk. In werkelijkheid echter worden in de Nederlandse veeteelt 450 miljoen dieren gehouden, dat wil zeggen dat je het ongelooflijke nog eens met een factor 3 moet vermenigvuldigen.
Woerden, KOOS VAN ZOMEREN
Liro (1)
De artikelen die eind vorig jaar in uw blad verschenen over de zogeheten Liro-affaire zijn voor mij ruimschoots aanleiding om te reageren. In de eerste plaats wil ik u bijzonder bedanken dat u een en ander in de openbaarheid heeft gebracht; dank namens mijzelf, en ik denk ook namens de joodse gemeenschap te mogen spreken, want zonder de durf van ondernemende journalisten komen dergelijke dingen nooit aan de oppervlakte. Ik heb begrepen dat de archieven inmiddels zijn overgedragen aan bevoegde instanties; jammer, want op diezelfde instanties is natuurlijk van alles aan te merken, gezien alles wat ze in het verleden hebben nagelaten te doen.
Rotterdam, M. POLAK
Liro (2)
Gefeliciteerd met uw artikel over het weggewaande Liro-archief in De Groene van 3 december. Ik ben van 1950. Als kind speelde ik vaak met zogenaamde cijderbekers (joodse huwelijksbekers). Deze waren van zwaar koper, rijk gegraveerd en ingekleurd. Van mijn ouders wist ik ook toen al dat die bekers aan mijn vader in beheer waren gegeven door een jood die weggevoerd en vermoord was. Dat was voor mij als kind toen een afschuwelijk maar tegelijk ook abstract gegeven waar ik verder niets mee deed. Mijn huisgenoten evenmin.
Tot zo'n acht jaar geleden. Ik had toen een zakelijke relatie met een Haagse synagoge. Toen ik weer eens bij mijn moeder op bezoek was (mijn vader was door ziekte niet meer aanspreekbaar) stelde ik haar voor die cijderbekers aan die synagoge te geven. Mijn moeder vond dat een goed idee en zo geschiedde het. Een halfjaar later, en weer werkzaam in diezelfde synagoge, zag ik die twee cijderbekers staan. Op een speciaal gemaakt, zeg, altaartje van perspex, met vergulde ornamenten en een fraaie spiegel erboven. Dit had ik niet verwacht en het ontroerde mij. Geld en goederen van joden uit de periode '40-'45 moeten teruggegeven worden. Alles en meteen. Zonodig met rente en excuses. Aan overlevenden, nabestaanden, synagogen, de joodse gemeenschap of aan zomaar een jood.
Den Haag, PAUL