Grrr

Van Baalen In ‘Heer Bolk’ (in De Groene van 8 april) staat een pertinente onjuistheid, die door Van Baalen zelf de wereld is ingeholpen, naar het zich laat aanzien. Er staat: ‘Hij kwam deze week met een verklaring waarin hij zegt het slachtoffer te zijn geworden van de schizofrenie van een oude schoolmakker.’

Als hij mij daarmee bedoelt, heeft hij het bij het verkeerde eind. Ik zou dat graag willen rechtzetten. Van huis uit ben ik in het bezit van een stofwisselingsstoornis, die bij een sterk overschreden dieet verschijnselen kan - maar niet hoeft - op te roepen die enigszins verwant kunnen zijn aan sommige verschijnselen die bij de ziekte schizofrenie kunnen optreden, maar met de ziekte schizofrenie heeft deze afwijking verder niet veel van doen.
Ik hoef hier, vind ik, niet heel mijn metabole geschiedenis uit te gaan leggen, maar Van Baalens verklaring dat hij het ‘slachtoffer’ is, is bezijden de waarheid. Het is een goedkope manier om zijn eigen hachje te redden.
Rotterdam, A. DOORGEEST
Colijn
'Moralisme of niet, wie dit eerste deel van de Colijn-biografie gelezen heeft, kan toch moeilijk tot een andere conclusie komen dan dat Colijn gewoon een nare man is geweest.’
Het is jammer dat het nieuws rond Colijns 'tropische jaren’ in De Groene van 15 april met niet meer dan deze kwalificatie wordt afgedaan. Er lopen in de tijd waarin wij leven wel meer 'nare mannen’ rond en dat is gÇÇn nieuws. Wat zich echter voordoet, is dat deze 'nare man’ jarenlang regeringsverantwoordelijkheid heeft gedragen en dat hij daarbij een breed draagvlak in de samenleving had. Dat deze 'meedogenloze, ambitieuze, antidemocratische aartsopportunist’ het zo lang in de Nederlandse politiek tussen de twee wereldoorlogen heeft kunnen uithouden, spreekt boekdelen over de tijdgeest waarin deze nare kwaliteiten kennelijk konden gedijen. Inderdaad, wie wil begrijpen waarom Colijn in zijn tijd zo werd bewonderd, zal hem binnen zijn historische context moeten plaatsen.
Deventer, MR PAUL G. VAN OYEN
Grondwetterij
In hoofdzaak ben ik het roerend eens met RenÇ Zwaap en de door hem geciteerde historici (in het artikel 'De vergeten grondwet’ in De Groene van 15 april): die zeker niet meer af te gelasten viering van '150 jaar grondwet’ is alleen al naar de titel een bijna absurde blamage. Die de vraag oproept hoe het is gesteld met de historisch-staatsrechtelijke kennis van minister Dijkstal en zijn adviseurs. Al in zijn middelbare-schooljaren had men hem moeten leren dat er in 1848 sprake is geweest van een grondwetswijziging, en niet van een nieuwe, laat staan 'de’ grondwet.
Op een paar punten wil ik toch aanvullingen aanbrengen. De grondwet van 1798 moet zeker herdacht worden, maar erg duurzaam is zij niet geweest, omdat we nu eenmaal een Franse vazalstaat waren, en in 1799 Napoleon al zijn militaire dictatuur vestigde. Tot onze bevrijding in 1813 brokkelde alles wat nog op democratie leek alleen maar verder af, en in 1810 werden wij bruutweg ingelijfd.
Ons eigen 'Oranje’ kwam er tenslotte niet zo slecht vanaf, al was het maar omdat wij in 1813, met de overkomst uit Engeland van de koning in spe Willem I (weer) een monarchie werden. Wat pleit voor zijn gezonde verstand, is de tekst van de proclamatie waarmee hij de hem aangeboden 'soevereiniteit’ aanvaardde: dat hij dit deed 'alleen onder waarborging eener wyze Constitutie, welke uwe Vryheid tegen de mogelyke misbruiken vezekert’.
De kern van de ingrijpende herziening van 1848 was een vergrote (en vereenvoudigde) invloed van de 'volksvertegenwoordiging’ op drie niveaus: plaatselijk, provinciaal en landelijk. Dit 'volk’ bleef voorlopig het toen nog typisch-liberale 'pays lÇgal’: het bezittend en (dus?) 'denkend deel der natie’. En het beknotten van de 'macht des Konings’ in de beroemde zinsnede: 'De Koning is onschendbaar, de minsters zijn verantwoordelijk.’
En gelukkig maar, want in 1849 kregen we al een koning Willem III, die onnoemelijk veel kwaad had kunnen doen (en ook nog heeft proberen te doen), als hij niet aan banden was gelegd door die vermaledijde grondwet. Welk een zegen voor dit land, en voor onze monarchie, die wijziging van 1848! We kunnen ons een 'alternatieve’ geschiedenis indenken, en die was zeker niet leuk geweest, gezien de wat vreemde persoon van Willem III.
Kortom: in de komende weken kunnen we nog het een en ander beleven aan historische reflectie en kritiek dat Hans Dijkstal zeker niet als saxofoonmuziek in de oren zal klinken. Als bedlectuur mag ik hem nog de Verzameling van Nederlandse staatsregelingen en grondwetten aanraden (eerste editie van W.J.C. van Hasselt uit 1853!) - die moet aanwezig zijn op zijn ministerie.
Rotterdam, E.M. JANSSEN PERIO
Igor Cornelissen
Verbaasd (en door verblijf buitenlands: met grote vertraging) heb ik RenÇ Zwaaps recensie gelezen over Igor Cornelissens en mijn boek in De Groene van 11 maart. Niet verbaasd omdat hij mijn boek slecht vindt - dit is het recht van elke recensent. Maar wel om de reden die hij daar voor aangeeft. Cornelissen, zo schrijft Zwaap, schrijft 'over een rijkgeschakeerd liefdesleven’, en zijn politieke belevenissen 'worden prettig afgewisseld met alcoholdoordesemde affaires met vrouwelijke gidsen, Georgische schonen van lichte zeden en wat dies meer zij’. Hij noemt dat 'een verademing in vergelijking met de terugblik van Dick Verkijk, wiens spartaanse leefwijze de onkostendeclaraties ongetwijfeld op een bewonderenswaardig minimum hebben gehouden, maar de persoonlijke biografie helaas overdekt met een Oostblokkerige grauwsluier’.
Ik houd natuurlijk graag de mythe overeind dat ik er een spartaanse leefwijze op nahield, en als Zwaap bedoelt te zeggen dat ik ook de naam had niet met mijn onkostendeclaraties te sjoemelen, dan heeft hij gelijk: die naam had ik inderdaad en ik ben daar - Zwaap zal verbleken bij zoveel kleinburgerlijkheid - nog trots op ook. En hij mag ook beweren dat mijn boek doordesemd is van een Oostblokkerige grauwsluier. Maar ik verbleek op mijn beurt als het doorbreken van die grauwsluier afhankelijk moet zijn van onthullingen over drinkgelagen en seksuele orgie‰n, want dat zou betekenen dat alleen belijdende innemers en vreemdgaanders garant staan voor leesbare memoires.
Haarlem, DICK VERKIJK
Slavernij
Het wordt zo langzamerhand gˆnant en onuitstaanbaar: al die boetepredikers die steeds vaker, zodra het over koloniale overheersing en slavernij gaat, een strafsermoen menen te moeten afsteken om hun dwangidee van collectieve schuld (niet tot in het derde en vierde geslacht, doch altoos) te verkondigen. Nu heeft ook Frank Martinus Arion (in De Groene van 11 maart) kunnen herinneren aan de misdaden tegen de mensheid die 'Nederland’ in zijn West-Indische bezittingen zou hebben gepleegd. Hij heeft en passant een pleidooi kunnen houden voor een eindeloos lang uitgebleven beau geste, zeg maar Wiedergutmachung.
De koloniale ervaring is tÇ complex, zowel voor individuen en samenlevingen, als in tijd en ruimte, om met de slogans en clichÇs van Arion te worden afgedaan. Ik heb tenminste even goede papieren in Nederlands West-Indi‰ (Cura‡ao en Suriname) als Arion, maar sluit mij uitdrukkelijk aan bij de velen die beslist niet kunnen bogen op naamsbekendheid om postkoloniale straffen en penitenties op te leggen en zeker niet met luide stem het Statuut van 1954 achteloos naar de prullenmand te verwijzen, maar sereen trachten te blijven bij de bezinning op koloniaal handelen en mishandelen. Bij het opmaken van de balans zijn wij niet blind voor man’s inhumanity to man, maar wij vinden het de nagedachtenis van ons in alle opzichten weerbaar Creools voorgeslacht onwaardig om telkenmale te komen aanzetten met collectieve schuld die als een doem uit het verleden boven het nageslacht blijft hangen, en tegelijk schadeloosstelling te verwachten, nee, te eisen voor de eeuwige slachtoffers. Het is inderdaad de hoogste tijd voor een beau geste.
Brussel, KENNETH BOUMANN
Barretje Weimar (2)
In het artikel 'Barretje Weimar’ van J.G. Kikkert, verschenen in De Groene van 4 maart, wordt de architect Johan van Loghem opgevoerd. Hij was volgens de Estse spionne Valli Nael, met wie Kikkert een gesprek had, stamgast van de Weimar-bar in Rotterdam, die in de jaren dertig veelvuldig werd bezocht door 'alles wat Duits- of NSB-gezind was’. In de aan Van Loghem gewijde alinea’s zijn enkele onjuistheden en - bedoeld of onbedoeld - verdachtmakingen geslopen.
Terecht was de typering 'de Bolsjeviek’ voor deze architect over wie ik in 1995 een monografie publiceerde. Inderdaad verbleef J.B. van Loghem enige tijd in Siberi‰, om precies te zijn in Kemerovo, waar hij als overtuigd socialist vele woningen en andere bouwwerken hielp neerzetten voor een bevolking van hoofdzakelijk mijnwerkers. Dit gebeurde in 1926-1927. Na zijn terugkeer in Nederland heeft hij hier slechts enkele woonhuizen voor particulieren en geen arbeiderswoningen meer gebouwd, hoewel Nael beweert van wel. Over het feit dat Van Loghem 'veel zaken met Duitsland’ deed is mij niets bekend.
Wel heeft hij tot aan zijn dood (in februari 1940) in artikelen en lezingen blijk gegeven van zijn afschuw over de nazi-dictatuur en zijn teleurstelling over het sovjetcommunisme. Maar socialist is hij, voor zover mij bekend, altijd gebleven.
Tenslotte: wist u dat Van Loghem in de jaren dertig bouwkundig medewerker van De Groene is geweest en in die krant artikelen heeft geschreven over de samenhang tussen architectuur en samenleving?
Heemstede, WIM DE WAGT
Herman de Man
In De Groene van 11 maart besteedde Antoine Verbij uitgebreid aandacht aan Herman de Man, schrijver van literaire streekromans. In dit artikel wordt onder meer gepoogd een verklaring te vinden voor De Mans overgang naar de rooms-katholieke kerk. De secretaris van de Vereniging Herman de Man, Jean BrÅll, liet zijn licht schijnen op de kwestie en kwam met een opmerkelijke visie: 'Als je het mij vraagt was het een jiddische truc. Een geforceerde manier om te assimileren.’
De secretaris geeft hier niet alleen blijk van een ontstellend gebrek aan inzicht in de gecompliceerde persoon van Herman de Man, hij zet vooral zichzelf op een aanstootgevende wijze te kijk. 'Een jiddische truc’ - ik spreek hierbij mijn afschuw uit over deze uitspraak, nota bene over een man wiens vrouw en vijf van zijn kinderen door de nazi’s werden vermoord.
De Vereniging Heman de Man heeft onder meer als doelstelling de kennis over Herman de Man en zijn werk te vergroten en te verspreiden. Ik vind het onvoorstelbaar dat het bestuur van deze vereniging niet direct openlijk afstand heeft genomen van de uitspraak van haar secretaris. Als biograaf van Herman de Man ben ik 'vanzelfsprekend’ lid van de vereniging. Ik moet mij daar nu voor generen.
Boskoop,GE VAARTJES