Grrr

Burnier (2) De redactie van De Groene vroeg mij een tijdje geleden een karikatuur te tekenen van mevrouw Andreas Burnier. U heeft het resultaat op de cover van 19 februari kunnen bewonderen. Of misschien vond u het lelijk, of helemaal niets. Allemal best.

Nu vond prof. dr Etty Mulder iets heel anders. In een ingezonden brief meldde zij twee weken geleden dat de beelden rondom het portret clichés zijn ‘ten aanzien van negatieve beeldvorming over vrouwelijke intellectuelen, joden en vrouwelijke homoseksuelen’. Zij maakt zich ongerust over een 'antisemitische en vrouwvijandige cover’. Ik fris de lezer nog even op, we hebben het hier over het karikaturale portret van mevrouw Burnier, gestoken in een voor haar karakteristiek mannenkostuum, met een davidster om de hals en staande op een roze driehoek, een beetje zoals het homomonument bij de Westerkerk in Amsterdam.
Wat een hoop lelijks krijg ik van professor Mulder om de oren. Mijn god, kan zij dat nog eens uitleggen? Het duizelt mij. Of nee, laat ik mijzelf verklaren: de elementen die ik gebruikte zijn universele symbolen van jodendom en homoseksualiteit, niet meer en niet minder. Ook al weet ik dat er diepe kwetsbaarheid en gekwetstheid achter de symbolen schuilgaan, ik gebruik ze als gewone illustraties, als verluchtiging, in karikaturale vorm. Dat is mijn vak, karikaturist. Daar ben ik soms een belhamel in, zoals mevrouw Mulder mij treffend toevoegt.
Maar wat ze mij voorts toevoegt, maakt me boos. Ze interpreteert namelijk de bedoeling achter mijn afbeelding, en veroordeelt aan de hand daarvan. Er bestaan veroordelingen op huidskleur, op ras, op sekse. Zij veroordeelt ook op uiterlijkheden, namelijk op mijn beeldvorm.
Daarenboven werkt de zware opeenstapeling van al haar lelijke woorden inflatoir: antihomo, antivrouw en antisemiet is te veel. Zoals bij de bekende gebochelde homoseksuele joodse neger met aids.
Men mag mij, of liever de redactie van De Groene die mij uitnodigde, toegrommen dat het geschreven portret van mevrouw Burnier niet met karikaturale beelden geïllustreerd dient te worden. Maar lukraak op uiterlijkheden afgaan en daarop veroordelen slaat nergens op. Prof. Mulder strijdt daar zelf tegen.
Amsterdam, PAUL VAN DER STEEN, illustrator
Genootschap (1)
Met veel plezier las ik het artikel van Martin van Amerongen 'De bende van vijftien’ in De Groene van 5 maart. Het bevestigt mijn idee van De Groene Amsterdammer: het laatste onafhankelijke tijdschrift van Nederland! De monarchie is het laatste taboe van Nederland. Al jaren verbaas ik me over dit taboe. Hoe heeft deze extreem rijke clan zo lang die ongrijpbare machtspositie weten te handhaven? Hun plaats: de troon, wordt nooit ter discussie gesteld. Dit in tegenstelling tot een democratisch verschijnsel als de Eerste Kamer.
De verhouding van het Volk tot Oranje lijkt van een instinctieve, biologisch bepaalde, genetisch overerfbare afhankelijkheid, een verhouding die vast lijkt te liggen in het voor de rede onbereikbare onderbewuste. Wat moeten wij anno 1997 met onze constitutionele monarchie, die blinde vlek in het politieke oog? Hoe kan in de no nonsense-maatschappij van paars een homoseksueel tot tranen toe geroerd zijn door de Oranje-majesteit, de uitgedroogde koningin, die zo victoriaans georiënteerd is dat zij zelfs geen heteroseksueel ongetrouwd paar in haar hof wenst te ontvangen?
Ik ben blij dat De Groene Amsterdammer stelling neemt, dat er een plaats is waar dingen bespreekbaar blijven. Zo houd ik toch nog wat geloof in de Nederlandse democratie.
Den Haag, M. WARTENA
Genootschap (2)
Als M. van Amerongen de criticasters van zijn republikeinse hobby van repliek wil dienen, hoeft dat geen pagina’s gejammer op te leveren, zoals we die in De Groene van 5 maart mochten aantreffen. Een kort ingezonden stuk elders, zoals dat van A. van Hoof in NRC Handelsblad van 13 maart, had opinieblad en hobbyclub gescheiden kunnen houden. De nu geëtaleerde liefhebberij is evenmin van algemeen belang als des schrijvers mogelijke duivenplatje of postzegelverzameling. Door zo'n bijdrage wordt De Groene voorspelbaar en dus vervelend.
Overigens: het is Prinsenhof met een s, niet met een c.
Bergen (NH) H.A. DAS
Voskuil
Eigenaardig om als lezer op je kop te krijgen. Sylvain Ephimenco (in De Groene van 12 maart) krijgt last van zijn buik als hij iemand 69 gulden ziet neertellen voor Het bureau, deel 3 van J.J. Voskuil, een boek uit een reeks die hem blijkbaar fascineert, want hij leest regelmatig in de boekhandel een bladzijde om bevestigd te krijgen dat het erg saai is. Verder heeft hij vele commentaren en recensies gelezen over deze reeks en citeert daaruit om zijn mening over de niet gelezen boeken te ondersteunen.
Wat veroorzaakt de agressie tegen de lezer bij Ephimenco? Vanaf de eerste bladzijde van het boek ben ik geïnteresseerd in het bureau van Maarten Koning, in meneer Beerta, in de collega’s, en vooral ook in Nicolien. De ambivalente houding van Maarten Koning over de manier waarop de mens zou moeten leven, komt me zeer bekend voor en toch weet ik niet wat precies zijn opvatting is. En ik neem aan dat Maarten Koning dat misschien ook pas weet aan het einde van zijn leven.
Volgens Ephimenco is de publikatie van deel 1 met luidruchtig nutteloosheidsgepraat gepaard gegaan. Hoewel ik een zeer geïnteresseerde lezer ben, heb ik hiervan niets gemerkt. De ervaring die ik heb met het lezen van Voskuil is vergelijkbaar met die bij het lezen van Das Schloss van Kafka. Dat boek eindigde echter niet. De reeks Het bureau (zeven delen) geeft mij als lezer de spanning dat Maarten Koning misschien gaat ontdekken dat er een verborgen zin is in het deel uitmaken van een Bureau. Wellicht een levensvervulling die zijn waarde heeft. Of ik leer eruit dat ik inderdaad die ontslagbrief moet gaan schrijven als ik op wil houden met het uitvoeren van als zinloos ervaren werkzaamheden. Daarom, uitgever, kom op met die overige vier delen, want de tijd dringt!
Rosmalen, HERMIE VAN OMMEREN