Grrr

Het Parool
In zijn artikel ‘Alsof Carmiggelt nog leefde’ over Het Parool (in De Groene van 18 juli) beweert Joost Niemöller dat het boek Léés die krant! Een geschiedenis van Het Parool van 1945 tot 1968 is geschreven door ‘de Vrij Nederland-redacteuren Gerard Mulder en Paul Koedijk’. Léés die krant! verscheen in september 1996; toen werkte ik al tien jaar niet meer voor dat weekblad, en Paul Koedijk was er al bijna vijf jaar weg. Deze informatie staat ook op het omslag van ons boek. Heeft Niemöller die tekst maar overgeslagen omdat hij vertrouwde op zijn encyclopedische kennis van de mediawereld?

Wat hij in elk geval van die wereld heeft opgestoken is creatief citeren. Zo haalt hij uit de epiloog van ons boek een passage aan die slaat op de situatie van Het Parool op het moment dat het manuscript van ons boek werd afgesloten, in april 1996. Vervolgens adviseert hij de lezers van zijn stuk: ‘Let op de verleden tijd.’ Daarmee wil hij zijn stelling onderbouwen dat Léés die krant! is geschreven alsof Het Parool reeds is overleden’. Duidelijk is welke associatie hij bij de lezer wil wekken: net als Joost Niemöller vinden Mulder en Koedijk dat er voor Het Parool geen toekomst meer is.
Nu is het hele boek in de verleden tijd geschreven en wel omdat het over het verleden gaat. Die ene passage die betrekking heeft op het heden van april 1996 is zelf ook allang weer geschiedenis geworden. Daarop anticiperend is dit tekstgedeelte, dat zich dus maar heel kort zou onderscheiden van de rest van het boek, eveneens vast in de verleden tijd gezet. Gezien de context is deze bedoeling voor geen misverstand vatbaar. Behalve voor Niemöller, die op zoek is naar een kapstok om er zijn misleidende suggestie aan op te hangen. Om die reden is het ook niet verbazingwekkend dat in zijn stuk een andere zin uit onze 'Epiloog’ juist niet wordt geciteerd: 'Er is echter geen reden om bij voorbaat uit te sluiten dat de krant ooit weer journalistiek zal schitteren.’
Een hang naar manipulatief woordgebruik laat Niemöller ook elders blijken, zoals in de zin: 'De afgelopen periode, waarover Mulder en Koedijk niet meer wilden schrijven, moet er een geweest zijn van grote interne strijd en verwarring.’ Een gewone lezer moet welhaast uit deze zin opmaken dat Mulder en Koedijk het te pijnlijk, te ontluisterend of te angst angstaanjagend vonden om over onze tijd te schrijven. In de Verantwoording bij de tekst van Léés die krant! echter staat de totstandkoming van dit boek beschreven. Daarin valt te lezen dat de auteurs wel degelijk over de bewuste periode hebben willen schrijven, en er al materiaal over hadden verzameld. Doordat ze in tijdnood kwamen, en liever geen concessies wilden doen aan diepgang en grondigheid, hebben ze ervan moeten afzien. Amsterdam, GERARD MULDER
Van Suchtelen
Naar aanleiding van Martin van Amerongens feuilleton Heine in Holland, aflevering 'Jood wordt vent’ in De Groene van 21 mei wil ik het volgende opmerken. De geciteerde passage uit het toneelstuk De Tuin der Droomen van Nico van Suchtelen doet de lezer inderdaad anno 1997 met de ogen knipperen, maar het getuigt van weinig historisch besef aangaande de gevoelswaarde van literair taalgebruik in het begin van deze eeuw, wanneer deze passage als een uiting van antisemitisme wordt geïnterpreteerd. Zelfs bij joodse schrijvers als Heijermans en Querido treft men vergelijkbare teksten aan. Men mag overigens een schrijver zonder meer met zijn personages identificeren?
Zoals Van Amerongen zelf al opmerkt is het fragment in de naoorlogse editie (het negende deel van de Verzamelde Werken: 'Dramatische Werken II’) gewijzigd. Wat hij echter niet vermeld, is het veelzeggende feit dat deze correctie dertig jaar later, circa 1943, door Van Suchtelen zelf is aangebracht. Hoewel dit deel pas in 1955 verscheen, had hij tot vlak voor zijn dood in 1949 zijn volledige oeuvre herzien en geredigeerd voor een twaalfdelige heruitgave.
De eerste boekuitgave van de Tuin der Droomen verscheen in 1913 bij de 'Maatschappij tot verspreiding van goede en goedkope lectuur’ (later: Wereldbibliotheek), Nico van Suchtelen was daar net aangesteld als redactie-secretaris door de oprichter en directeur Sion Simons. Geen letter verscheen zonder dat deze door Simons was gezien en mocht hij, zelf van joodse afkomst, dit stuk als antisemitisch hebben opgevat, dan was het zeker niet uitgegeven, sterker nog: dan was de samenwerking met Van Suchtelen van korte duur geweest en had Simons geen lovende woorden aan dit toneelstuk gewijd in deel 5 van zijn serie Het drama en het toneel in hun ontwikkeling (Amsterdam, 1932).
Werkend aan een biografie van Nico van Suchtelen heb ik voldoende kennis van zaken vergaard om te kunnen vaststellen dat Van Suchtelen zeker géén 'routine-antisemiet’ was (en trouwens ook geen andersoortige antisemiet). In de jaren hekelde hij in zijn geschriften het opkomend fascisme en als gevolg daarvan was zijn werk tijdens de Tweede Wereldoorlog verboden. Van Amerongens zo smalend geformuleerde beweringen zijn pertinent onjuist en het geeft geen pas een fatsoenlijk mens als Nico van Suchtelen bijna vijftig jaar na zijn dood zo onheus te bejegenen. Amsterdam, ESTHER BLOM
Deep Blue
In 1988 versloeg een computer voor het eerst een grootmeester in een schaakpartij. Nu, in 1997, verliest PCA-wereldkampioen Gari Kasparov een match van zes partijen van het beest, zoals J. H. Donner de schaakcomputer noemde. Het is snel gegaan. Te snel, dacht ik, toen ik het artikel van René Zwaap in De Groene van 21 mei las. Het geeft interessante informatie over Turing, de grondlegger van artificiële intelligentie, maar Zwaap draaft door. Dat hij weinig verstand heeft van schaken - zo verwisselt hij de begrippen match en partij - vergeef ik hem. Op zijn conclusie is echter veel af te dingen. Zwaap meldt opgewekt: 'De kern van de zaak is dat er nu een kunstmatige manier bestaat om menselijke intelligentie te reproduceren en daarbij zijn er feitelijk geen grenzen meer.’
Ik opper hier enkele bezwaren. Ten eerste heeft Kasparov welgeteld één match verloren. Daaruit mag niet worden afgeleid dat Deep Blue beter schaakt dan Kasparov; de uitslag geeft hooguit een indicatie. Wereldkampioenen verliezen wel vaker partijen. Pas na een serieuze match van 24 partijen om de wereldtitel kunnen verregaande conclusies worden getrokken. Ten tweede: schaakcomputers raadplegen tijdens de partij een uitgebreide openings- en eindspelbibliotheek. Een mens mag dat niet; hij is aangewezen op zijn (feilbare) geheugen. Van een gelijke strijd is dus geen sprake.
Een derde, meer filosofisch bezwaar is het verschil in denken. Een menselijke schaker, hoe goed of slecht hij ook speelt, berekent automatisch heel veel zetten niet, omdat hij ze niet ziet, ze niet in zijn plan vindt passen of ze intuïtief verwerpt. Een computer echter gaat alle mogelijkheden na en berekent op grond van allerlei parameters de beste zet. Het resultaat kan dan hetzelfde zijn (dezelfde zetten), maar dat wil niet zeggen dat de computer de stelling begrijpt. Een schakende computer is niet meer bijzonder dan een auto, die ook niet begrijpt wat hij doet. Maar niemand zal races tussen auto en mens organiseren. Nu het om een denkactiviteit gaat, namelijk schaken, worden mens en machine wél vergeleken. Ten onrechte.
Ik zei het al, de ontwikkeling van schaakcomputers is te snel gegaan. Niet- schakers als Zwaap denken nu dat alles mogelijk is. In feite ondergraaft hij daarmee de juistheid van zijn eerdere stelling dat 'de schaakgrootmeester zich sinds jaar en dag een hogepriesterachtige functie in het epicentrum van de menselijke intelligentie plegen toe te dichten’. Alleen megalomane grootmeesters als Kasparov vinden dat. Het is juist Zwaap die te veel op kijkt tegen schaakgrootmeesters en daardoor tot zijn overdreven conclusie komt. Amsterdam, RENZO VERWER