Grrr

Leo Fuld
In zijn artikel ‘Kaddisj voor een Keizer’ in De Groene van 18 juni ter nagedachtenis aan Leo Fuld, kritiseert Mohamed el-Fers de joodse instanties dat zij gedurende het Sjawoe'oth-feest, vlak waarvoor Fuld plotseling was overleden, niet bereikbaar waren, zodat Fuld op een niet-joodse begraafplaats ter aarde werd besteld. Zijn huidige echtgenote noch iemand in haar omgeving wist wanneer Sjawoe'oth, het Wekenfeest, zou eindigen en ‘de naam van het feest deed het ergste vermoeden’. Dus werd Fuld op een algemene begraafplaats begraven, en wel op maandag 16 juni.

Blijkbaar had niemand in de omgeving van Leo Fuld, al werd hij dan beschouwd als ‘de keizer van het jiddische lied’, ook maar de geringste kennis van de joodse godsdienst. Om te weten te komen dat het Sjawoe'oth-feest twee dagen duurt, behoeft men geen rabbijn te raadplegen, en ook geen joodse instelling; zelfs een kind dat enigszins joods is opgevoed, zou mevrouw Fuld dat hebben kunnen zeggen. Het Sjawoe'oth-feest viel dit jaar op woensdag 11 en donderdag 12 juni, en begon op dinsdagavond 10 juni. Daarna zou er voor mevrouw Fuld voldoende gelegenheid zijn geweest om de begrafenis van haar man met een joodse begrafenisvereniging te regelen, temeer daar de begrafenis op Vredenhof pas op maandagmiddag 16 juni plaatsvond. Haar boosheid op de joodse instanties is dus zeer merkwaardig. Badhoevedorp, HENRIETTE BOAS
Ter Braak
Aan de interessante beschouwing van Rob Hartmans over de 'intellectuele icoon’ Menno ter Braak (in De Groene van 18 juni) valt in elk geval te ontlenen dat deze figuur nog altijd allerminst vergeten of 'gedateerd’ is. Wat betreft zijn 'leesbaarheid’, die door E.H. Kossmann overwegend gering wordt geacht: hiervan kreeg ik onlangs juist een tegenovergestelde indruk bij het herlezen van zijn 'kronieken’. Ik vond die niet alleen zeer leesbaar, maar zelfs nog altijd boeiend of fascinerend, en bovendien voor een historicus uiterst geschikt om iets van die jaren dertig te begrijpen.
Bovendien mogen we bedenken dat de man die dit oeuvre schreef, nog geen veertig jaar oud is geworden! Mijn eigen verering voor hem is nog altijd zo groot dat ik, als hij in leven had mogen blijven, graag zijn schoenen had gepoetst - wekelijks desnoods. Maar hij legde het dus af tegen het geteisem dat hem in de dood heeft gedreven, en waarvan talloze specimina na 1945 - meer of minder vrolijk - verder konden schrijven en publiceren. Rotterdam, E.M. JANSSEN PERIO
Vermeulen
De beschouwingen over Matthijs Vermeulen in De Groene van 28 mei, in het bijzonder de pagina’s 28 tot 30, geven mij aanleiding tot enkele opmerkingen. Bij herhaling is er in deze en andere beschouwingen sprake van dat Vermeulen zijn werken niet heeft kunnen horen. In hoeverre dit juist is kan ik, voorzover het de kamermuziek betreft, niet beoordelen, wel heb ik enig inzicht in deze materie voorzover het zijn symfonieën betreft. Het Concertgebouworkest heeft in de loop der jaren zes van de zeven symfonieën van Vermeulen uitgevoerd, daarvan drie in wereldpremière: de Derde (1939), de Vijfde (1949) en de Zevende (1967). Het was bij het Concertgebouworkest gebruikelijk de componist tot het bijwonen van een of meer repetities uit te nodigen; uiteraard ook tot het bijwonen van de uitvoering(en). Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is Vermeulen aanwezig geweest bij de uitvoering van zijn Tweede, Derde en Vijfde symfonie. Van de Zesde Symfonie, die in 1960 onder leiding van Paul Hupperts werd uitgevoerd, weet ik het niet met zekerheid; en tijdens de voorbereiding van de uitvoering van zijn Zevende Symfonie in 1967 was hij vermoedelijk al ziek. Amsterdam, MARIUS FLOTHUIS