Grrr

De advertentie Zonder De Groene Amsterdammer gaat het de verkeerde kant op, die al geruime tijd regelmatig in De Groene verschijnt, berust op enkele misvattingen over de evolutie. Deze zijn voortgebracht door religieuze wetenschappers die de mens hoog op de evolutionaire ladder plaatsten, ver boven de andere soorten, en zo dicht mogelijk bij hun god.

De evolutie streeft niet doelbewust naar beter. Vanuit de evolutie gezien is de mens niet beter dan andere soorten. De evolutie is geen lineair proces met als hoogste doel het laten ontstaan van de mens; het ontstaan van de mens was vrij toevallig. Zie hiervoor Stephen Jay Goulds boek Wonderful Life (1989). Dat zelfs de makers van De Groene verkeerde ideeen hebben over de basismechanismen van de evolutie, toont aan hoe belangrijk het is dat evolutie een centraal onderdeel wordt in de examenstof van het middelbaar onderwijs. Groningen, PETER KLEIWEG
Prange (1) Het is bijna aandoenlijk te lezen hoezeer Max Arian in De Groene van 13 september achtendertig (!) jaar na het verschijnen van een boekje van mijn vader nog steeds overweldigd wordt door zijn haatgevoelens. Het moet wel een heel bijzonder geschrift zijn dat Arian er toe drijft om met insinuaties en verkeerde voorstellingen van zaken alsnog zijn gelijk te halen.
Inderdaad, mijn vader was geen verzetsheld, geen lid van de Kulturkammer, noch was hij, zoals onder anderen Sandberg, Picassso, Appel en Van Kruiningen, een vurig bewonderaar van Stalin. Hij was geen ‘rabiaat anticommunist’, in politiek was hij eigenlijk niet zo geinteresseerd. Hem ging alleen de beeldende kunst ter harte, en alle valsigheid en kruiperigheid die de dictatuur van Sandberg met zich meebracht, verwenste hij zeer. Carmiggelt haalde hem op 1 april 1947 van het Haagsch Dagblad (een kopblad van Het Parool) naar Amsterdam om z'n kennis en scherpe pen, niet om z'n politieke voorkeur.
Max Arian moet het interview van Igor Cornelissen nog maar eens goed nalezen. Dochter Greet is zeker geen abstract beeldhouwster en haar werk heeft treffende overeenkomsten met dat van mijn vader. Ikzelf ben nooit door Cornelissen geinterviewd, heb nooit iets aan kunst gedaan, laat staan abstract. Ook op dit punt laat Max Arian zich dus liever leiden door blinde haat dan door de feiten. Amsterdam, VINCENT PRANGE
Prange (2)
In zijn jeugdherinneringen aan de criticus J. M. Prange vermeldt Max Arian hoe hij vergeefs gepoogd heeft de eerste recensie van Prange te traceren. Nu wil het geval dat ook ik in het kader van mijn onderzoek naar de kunstkritiek in Nederland geintrigeerd raakte in Pranges monomane kruistocht tegen de abstractie, evenals in die van die andere criticaster van Sandberg: Ch. Wentinck van Elseviers Weekblad. Ik heb inmiddels praktisch alle stukken van beide heren in hun lijfblad gelezen. In het geval van Prange gaat het om 1183 getraceerde recensies.
Zijn eerste recensie verscheen in Het Parool van 7 maart 1946 getiteld 'Britsche schilderkunst in het Stedelijk Museum, schilders van deze eeuw’, en zijn laatste op 15 juli 1961. Overigens debuteerde Prange rond dezelfde tijd als criticus bij Vrij Nederland (23 maart 1946), maar werd daar in november 1947 al weer opgevolgd door J. Hardy.
De door u aangehaalde Rothuizen wist te melden dat Prange 'ergens in 1937 of 1938’ door Carmiggelt werd aangezet tot het schrijven van kunstkritieken in Vooruit. Ook in het Haagse geval kan ik u duidelijkheid verschaffen: in de uitgave van 10 december 1938 wordt een nieuwe rubriek geintroduceerd, de wekelijkse bespreking van tentoonstellingen in Den Haag. Pranges eerste stuk in Vooruit, getekend met J.M., is van die datum. Zijn laatste bijdrage dateert van 8 juni 1942, een bespreking van het werk van Elise Dom bij Kunstzaal Plaats. Het eind van die recensie is te mooi om ongeciteerd te laten. Zijn schets van kunstkritiek is min of meer een prelude op zijn Parool-jaren waaraan u in uw artikel herinnerde: 'Kunstcritieken schrijven is helemaal geen prettige bezigheid. Meestal is zo'n beschouwing de som en het verschil tussen teleurstellingen en meevallertjes; een soort compromis tussen verwachtingen en het toch weer niet bereikte. Men heeft dikwijls de indruk, dat men zijn eisen niet laag genoeg kan stellen om zo tenminste nog enigszins reden tot lof te hebben. Matige waardering is regel; echte spontane geestdrift helaas al te zeer uitzondering, hoezeer daar naar gehunkerd wordt door den criticus.’ Utrecht, HANS EBBINK
Bovenkerk Hoe kan een journalist de aanval op criminoloog professor Bovenkerk openen door gewoon maar iets aan te nemen? 'Er is ongetwijfeld methodologische kritiek mogelijk op Bovenkerks bevindingen’, schrijft Van Amerongen in zijn hoofdcommentaar van 13 september. Vervolgens wordt er met een zelf verzonnen voorbeeldje getracht deze bewering aannemelijk te maken. Meteen daarna draagt hij verklaringen aan voor het criminele gedrag van een aantal minderheidsgroepen. Moet dit leiden tot meer begrip? Beseft Martin van Amerongen dan niet dat hij met zijn niet ter zake doende opmerkingen de bevindingen van de criminoloog juist bevestigt?
Daarna bedenkt de schrijver dat driekwart van de 450 criminele organisaties - een aantal dat overigens helemaal niet vaststaat ten gevolge van de vele verschillende computersystemen die de CID-teams gebruiken - uit zwarte drugshandelaren bestaat. Wat is nu eigenlijk het verschil tussen deze regels en de zogenaamde 'racistische praat van een ordinaire kroegloper’? Wat is hier minder stigmatiserend aan dan wat Parool of Telegraaf meldt? Dan volgt er weer een verhaal over de onmisbare bijdrage van de allochtonen aan de economie, waarbij ik mij niet verbaas over het feit dat geen enkel landelijk dagblad dit overneemt, omdat het onmogelijk te bewijzen valt dat de economie als een pudding in elkaar zou zakken zonder hen.
In de op een na laatste alinea wordt verbaasd geconstateerd dat de publieke belangstelling uitgaat naar de 'vrij harde feiten’ over de allochtone criminaliteit.
Wat mij verbaast is dat dit emotionele verhaal vol tegenstrijdigheden waarin de schrijver zich schuldig maakt aan datgene waar hij anderen van beticht, als hoofdcommentaar is geplaatst. Den Bosch, J. STANK
BVD 'Alle tot dusver openbaar gemaakte BVD- dossiers gaan zwanger van de misvattingen, feitelijke onjuistheden en regelrechte blunders’, schrijft Mark van Dongen in De Groene van 20 september. Dat wordt bevestigd door mijn BVD-dossier. Kennelijk heeft mijn steunverlening vanaf 1940 aan De Vonk, later De Vlam, geleid tot het jarenlang waarschuwen van gemeentebesturen en onderwijsinspecties voor mij. Ik heb het geweten. Met het 'beroepsverbod’ werd in een viertal gemeenten de hand gelicht omdat niet anders in een vacature kon worden voorzien. Maar voordat Wallage en Buiter aantraden, weigerde PvdA-Groningen, in navolging van onder andere Apeldoorn en Amsterdam, mij zelfs als invaller in te schrijven. Voorts bleek het mij door oud- illegalen gemelde ('Er ligt een BVD-dossier over jou in het Groningse stadhuis’) een feit. O ja, ik was ook nog PSP'er. Dat onze Stasi-achtige geheime dienst dat wist! Knap. Hoe staatsgevaarlijk zijn pacifisten.
Enfin, ik leef niet zo lang meer. Dit tot geruststelling van de grote partijen die hun BVD, op de rekening van ons, belastingbetalers, er op na willen blijven houden - mede om niet in de pas lopend volk mores te leren. Dat gaat maar door. Onlangs kwam mij een recent geval van chantage ter ore, een lid van GroenLinks met kritiek op de Betuwelijn betreffend.
Opdoeken van de BVD is het enige juiste. De politie, radio, tv, De Groene Amsterdammer (immuun voor CIA/BVD- geld) en andere persorganen kunnen het samen wel af. Groningen, WIEMER EMMELKAMP
Louise Hay Het is jammer dat Stella Braam op een dubieuze manier aan kopij voor haar artikel over de workshop van Louise Hay en Wayne Dyer moest komen (in De Groene van 20 september). En het is teleurstellend dat zj al bij voorbaat de bedoeling had om hun lezingen de grond in te schrijven.
De filosofie die Dyer en Hay uitdragen hoeft niet wetenschappelijk bewezen te worden, zij wordt elke dag al bewezen. De innerlijke kracht die ieder mens bezit wordt door menigeen helaas ontkend en door velen onderschat. Afgezien van de wijze waarop Hay en Dyer hun filosofie naar buiten uitdragen - een manier die een meewarig glimlachje kan laten verschijnen - hebben zijhet wat mij betreft het bij het rechte eind. Je innerlijke kracht is dag en nacht voor je werkzaam, het bedient je op je wenken, ergo, al wat je redelijkerwijze wenst, brengt die kracht binnen de mogelijkheden - het goede, maar verdrietig genoeg, ook het kwade. Het succes van het kwade is evenwel immer een tijdelijke zaak.
En wat Bosnie aangaat, zou Stella kunnen aantonen dat men iets anders wenst? (Dit laatste kan, onbedoeld, ongenuanceerd overkomen, wat niet mijn bedoeling is.) Rijswijk, TON GINUS