Sylvain Ephimenco

Grunberg

Om met de deur in huis te vallen: Grunberg heeft er goed aan gedaan om niet naar Amsterdam te reizen teneinde zijn nominatie voor de Ako-literatuurprijs fysiek te verzilveren. Was Grunberg twee dagen van tevoren discreet gewaarschuwd dat hij de prijs had gewonnen, dan had hij zijn cheque, want daar gaat het vooral om in Nederland («zes schrijvers en een ton» adverteerde de VPRO), wel moeten ophalen. Met alle respect voor de wekelijkse liefdevolle inzet van Hanneke Groenteman in De Plantage, de structuur van haar programma is, als het om literaire prijsuitreikingen gaat, van een angstaanjagende trivialiteit. Genomineerden in de schoolbankjes, havo-klanten die het woord permanent voeren, simplificatie, karige samenvattingen, prozaïsche interpellaties over het autobiografische gehalte van de boeken. Eens en nooit weer.

Laat voortaan de genomineerden thuis of in het publiek als ze daar iets voor voelen, bespreek drie of vier boeken met een panel recensenten, maak de keus van de jury bekend en laat de winnaar onder getrommel en lichtflitsen binnenstormen. Resultaat: meer diepgang en toch tv-spektakel.

Nu Grunberg. Ik geef toe: de figuur, zijn posen en zijn stijl fascineren mij. Zijn boeken veel minder. Fascinatie betekent veel nieuwsgierigheid, een beetje bewondering en een beetje irritatie. De optelsom, in deze saaie wereld, is natuurlijk positief. Grunberg speelt in het leven de rol van een van zijn romanpersonages. Veel kitsch en Harpo Marx-absurdis me, wat joodse zelfhaat vermengd met een egohypertrofie die geen kritiek verdraagt. Pornoster als assistente en oude dames met bont als gezelschap in New Yorkse formicatenten. Grunberg koketteert met het ridicule. Is ludiek-tragisch, stachanovist van het woord, grenzeloos ambitieus, maar die ambitie tracht hij te maskeren met de relativerende onachtzaamheid van het personage dat hij speelt. Schrijven stelt niets voor, zeggen zijn mond en pen, maar stiekem denkt zijn hoofd daar anders over. Wie hem aanwrijft dat een boek de essentie van het bestaan moet raken of subversief moet werken, krijgt er van langs. Een boek is net zo belangrijk als een badkamertegel, zegt Grunberg. Of: boeken onder elkaar zijn net zo concurrerend als worsten bij de slager. Laat een atoombom op de laatste duizend jaar literatuur vallen zodat in de ontstane woestijn Grunberg zijn eigen pretentieloze wereld kan bouwen. Of, om met de auteur te spreken: laten we opnieuw koken na Auschwitz.

De stijl van Grunberg doet alles. Helder en eenvoudig, beknopt en grappig in zijn essentie, doelmatig en absurd. Ook provocerend: «Ik duwde haar op de grond. Of ze viel op de grond. Misschien vielen we allebei op de grond» (Fantoompijn). Als een van de eersten heeft Grunberg begrepen dat het stijlboek van de traditionele literatuur afgesloten moet worden. Hij is daarom geen balletdanser, eerder een rolschaatser. Niet echt mooi, maar wel flitsend. In het internettijdperk gaat alles om (snelle) communicatie. Daarom zijn de boeken van Grunberg even doelmatig als e-mails. Ze ontlopen de onnatuurlijke kunstmatigheid van de schrijftaal en benaderen van zeer dichtbij de natuurlijke spreektaal.

Op deze manier zou Grunberg, als zijn uitgever hem niet zou afremmen, twee tot drie boeken per jaar probleemloos kunnen produceren. Maar dan zou hij, herkauwend op de eendimensionaliteit van zijn thematiek, zijn verveelde lezers verliezen. Grunberg is een stand-up come dian die zijn grappen 24 uur per dag wil vertellen en die je met geweld van het podium moet halen. Zijn boeken zijn juweeltjes van absurde humor en ontberen elke diepgang. Of liever gezegd: elke poging tot diepgang wordt bedolven onder de briljante en ongewone alledaagsheid van de afzonderlijke scènes. Ik heb bij Fantoompijn best gelachen totdat ik het boek besloot niet uit te lezen. Genoeg tegels in mijn badkamer en worsten in mijn koelkast.