Grunge achter de schrijftafel

Muziek uit Duitsland, 24 juni (Concertgebouw) en 25 juni (Beurs van Berlage), Amsterdam.
‘Kunst en verzet’ luidt de ondertitel van het Holland Festival dit jaar. En het zou wel eens kunnen zijn dat festivaldirecteur Jan van Vlijmen daarmee niet zozeer doelt op de verzetsopera Esmee, de Zuidafrikaanse musical Mama!, Canetti’s Hochzeit of Dick Raaymakers commentaar op Mussolini, maar op het drietal concerten Muziek uit Duitsland, waarin avantgardisten van het eerste uur en hun opvolgers aan bod komen. Bij onze oosterburen bestaat nog altijd een sterk in het serialistisch denken wortelende stroming die de modernistische uitgangspunten verder probeert te ontwikkelen - en zich daarmee verzet tegen de negentiende-eeuwse tonaliteit die in allerlei gradaties weer opduikt en tegen het hele scala aan neo-burgerlijke muziektradities.

Maar net zoals na het Holland Festival 1990 dat helemaal aan Duitse kunst was gewijd (Neues vom Tage), kon je je na het marathonconcert door het Asko, Schonberg en Blazers Ensemble afgelopen zondag in Paradiso afvragen wat deze hardcore modernisten ons eigenlijk te bieden hebben. Bernd Alois Zimmermann, Wolfgang Rihm en Helmut Lachenmann - het zijn alledrie componisten die hun hand niet omdraaien voor een ingenieus staaltje componeren, maar die uit hun klanken een wereld optrekken die zo zwartgallig en uitzichtloos is dat je als luisteraar wel uit een heel speciaal hout gesneden moet zijn om je daardoor aangesproken te voelen.
Bernd Alois Zimmermann (die in 1970 zelfmoord pleegde) gold in dit gezelschap als grand old man. Zijn Rheinische Kirmestanze uit 1950 zijn een groteske maar grimmige parodie op allerlei dansvormen, terwijl de compositie Omnia tempus habent voor ensemble en sopraan met zijn expressieve, transparante schrijfwijze aan het poetisch idioom van Maderna doet denken. Echter zonder diens sensualiteit.
Helmut Lachenmann moet worden beschouwd als de autoriteit op het gebied van de niet-klank. Gespecialiseerd in piepen, knarsen, kraken, zuchten en ruisen, maakt hij een betoverende wereld tussen piano en pianissimo hoorbaar. Zowel …Zwei Gefuhle… (1992) voor ensemble en twee spreekstemmen als Allegro Sostenuto voor klarinet, cello en piano kennen adembenemend mooie momenten waarop je de instrumenten als het ware hoort ademen. Als geheel is het echter grauwe, bedachte muziek. De grunge-geluiden die hij gebruikt komen niet van de straat, maar zijn achter de schrijftafel in het leven geroepen.
Eenzelfde soort studeerkamernihilisme spreekt uit het werk van Wolfgang Rihm. Of het nu gaat om het streng gestructureerde koperkwintet Sine Nomine, om het strijkersstuk Erscheinung, waarin de strijkers een verstikkende cocon om zichzelf weven, of om het amorfe klanklichaam dat Sphere vormt, als we Rihm mogen geloven, is het leven geen pretje.
Twee buitenbeentjes doorbraken de loodzware sfeer. Heiner Goebbels’ Herakles 2 is een sympathiek stuk vanwege zijn ongrijpbare karakter. Niet alleen vormt het werk een raar hybride door zijn bezetting van (klassiek) koperkwintet en drumstel, ook het uitgesproken jazz-idioom in een (ritmisch complex) gecomponeerd jasje zette de luisteraar steeds op het verkeerde been. Met een heus ritme, echte melodieen en met elkaar verband houdende harmonieen leek Herakles 2 in deze context haast banaal, zo mooi. De schijn bedriegt, zo bleek aan het slot, waarin de trompet in een tergend dwangmatige herhaling verviel.
De uitvoering van Mauricio Kagels Norden, het laatste stuk in de serie Stucke der Windrose, deed je nog eens beseffen hoe wezenlijk relativeringsvermogen en zelfspot zijn - eigenschappen die Kagel in ruime mate bezit. Dat neemt niet weg dat hij als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van ‘kunst als kritiek’ geldt. Die stamt evenzeer uit de jaren zestig als de hermetische kunst van de modernisten, maar lijkt - ook gezien de hilarische reacties in de zaal - minder aan actualiteit te hebben ingeboet.