Grus Grus

Ik at jan-in-de-zak bij mijn moeder. Dat zouden meer mensen eens moeten doen, maar dat is misschien meer een onderwerp voor een ander blad. Mijn vader at ook jan-in-de-zak, die in West-Friesland ‘broeder’ heet. Hij zit al jaren zo dat hij goed zicht heeft op wat er buiten allemaal gebeurt. Op een gegeven moment komt hij omhoog, hij had iets gezien. Een buurman liep in het bietenveld dat niet van hem was, maar ook niet van mijn vader. 'O, o, o’, zei hij. Ik draaide me om en keek naar de buurman, die zeer geïnteresseerd de bieten van een vreemde liep te inspecteren. Maar ineens zag ik nog iets anders, alleen kon ik het niet goed zien omdat die buurman er hinderlijk voor stond. 'Wat loopt daar nou voor een vogel?’ vroeg ik. Volgens mijn vader was het een nandoe en hij zei dat alsof daar elke dag nandoes lopen. 'Welnee’, zei ik, 'die zijn veel breder.’ Alsof ook ik elke dag nandoes in de polder zie struinen. Ik pakte de verrekijker erbij. Nadat ik eerst de neusharen van de buurman had geteld, richtte ik de kijker iets naar rechts. Een kraanvogel. 'Je moet de krant bellen!’ zei ik tegen mijn vader. 'Hm’, zei hij, 'dat beest loopt daar al een week en als ik de krant bel, ziet het hier binnen de kortste keren zwart van die vogelkijkers, hoe heten ze ook maar weer.’ Dat wist ik ook even niet, hoe die vogelkijkers heten, en ik was al buiten. De buurman was vertrokken en nu fietste ik het bietenveld in. Heel rustig liep de kraanvogel daar en nu ik een stuk dichterbij was, zag ik duidelijk de rode kruin en de witte streep aan de zijkant van de kop en hals. Het was een prachtig beest. Toen ik weer binnenkwam, stond mijn vader klaar met Vogels kijken van Kester Freriks. Hoewel dat een mooi boek is, had ik toch liever de Petersons vogelgids. 'Winter- en zomerwaarnemingen zijn zeldzaam’, las ik. 'Vink maar af’, zei ik. 'Die hebben we te pakken.’ Daarna aten we aardbeien uit de tuin.