Gruwel

In de vuistdikke roman De opwindvogelkronieken van Haruki Murakami komt een scène voor waarin een Japanse officier – ergens aan de verlaten grens met Mongolië – langzaam een marteldood sterft. De Tweede Wereldoorlog is een tijdje aan de gang en de officier is in handen gevallen van een vijandige patrouille: een Russische officier en een troepje Siberische jagers.

Die laatsten weten met de Japanner wel raad. Er worden vier palen de grond in geslagen, polsen en enkels vastgebonden – en dan wordt de officier levend gevild. Snerpend en ijslijk weerklinkt zijn krijsen en gillen over de Mongoolse steppen, bladzijden en bladzijden lang.

Zo is het mij althans bijgebleven, sinds ik het boek ruim een jaar geleden las. Waren het wel zo veel bladzijden? Het kan zijn dat de marteling niet alleen voor de officier eindeloos scheen te duren, maar ook voor mij als lezer. Teruggevonden heb ik de passage niet meer, maar ik moet bekennen dat ik ook nauwelijks heb gezocht. Had ik dat alles wel willen overlezen? De eerste keer al heb ik mijn ogen snel over de bladzijden laten gaan, zoekend naar het moment waarop de dood was ingetreden als een verlossing van de Japanner en ook een beetje van mij als lezer. Wij waren als slachtoffer een beetje met elkaar vergroeid geraakt.

Erg professioneel is dat allemaal niet. De ervaren lezer wordt geacht een geharde lezer te zijn, even koel in het ontleden van Murakami’s literaire gewiekstheid als de Siberische jagers in het afstropen van huiden zijn. Ik moet tenslotte weten: dit is een roman. Wat verteld wordt is niet echt: het gaat om het hoe, niet om het wat. En welk een goede schrijver moet Murakami dan wel niet zijn dat ik meer dan een jaar later nog altijd het pijngegil hoor van een Japanner wiens stem ik nooit gehoord kan hebben.

Toch moet er iets mis zijn met deze literatuuropvatting, als ze zo flagrant door de feiten wordt weersproken. Want dat ik het fysiek niet opbreng de betreffende passage opnieuw te lezen en me er bij het terugzoeken ervan met de Franse slag van heb afgemaakt, heeft wel degelijk met literaire echtheid te maken. Déze Japanse officier, wiens naam ik me niet meer herinner noch herinneren wil, heeft ongetwijfeld nooit bestaan. Maar er waren er wel als hij, die níet zijn ontsproten aan de pen van Murakami – en het is hun gegil dat ik hoor.

Ook al heeft deze scène zich misschien nimmer precies zó afgespeeld, het is voor de literatuur niet om het even dat ze dat wel gedaan zou kunnen hebben, dat pijn even werkelijk is als marteling – en dat wij het bestaan daarvan niet verdragen. Daartoe hoeven we er niet eens meer ooggetuigen van te zijn geweest. Het loutere besef dat gruwelen gebeuren ontstelt ons en houdt ons misschien wel uit de slaap. Daar raakt de verbeeldingskracht van het echte onontwarbaar verwikkeld met die van de literatuur.

Die laatste vormt nu eenmaal geen eigen wereld, zoals veel moderne theorie zou willen. Literatuur is echt, niet alleen omdat ze zelf deel uitmaakt van de werkelijkheid, maar ook omdat ze deze, in haar enscenering ervan, zélf beschrijft. Geen genreaanduiding als ‘roman’ of ‘fictie’ doet daar iets aan. Literatuur is geen nietzscheaanse Hinterwelt die achter de realiteit een soort ‘tweede laag’ creëert: een autonome wereld waarin alles kan en alles mag.

Literatuur woekert met de ene werkelijkheid die er is: de éne taal die we spreken, de éne wereld die we bewonen en de éne werkelijkheid waarin pijn alleen geen échte pijn is zolang de verbeeldingskracht van de lezer zichzelf tot kunstmatigheid dwingt. Alleen een literaire verkramping die de imaginatie hardnekkig wil beperken tot letters en papier kan voorkomen dat het Japanse gegil mij door merg en been gaat.

Daarom is het lezen dat zich slechts esthetisch laat beroeren door het literaire medium niet het eindpunt van de literaire verfijning. Het is er eerder de vervreemding van, geobsedeerd als het wordt door een schrijven dat kunst geworden is in de ongunstigste betekenis van het woord. Het heeft de verbeeldingskracht niet bevrijd, maar juist gebreideld, omdat deze zich niet meer mag uitstrekken naar het wat van wat verteld wordt.

Tegen de gruwelen daarvan verschanst deze literaire preutsheid zich in een technische fascinatie voor het hoe – waardoor het niet meer hoort wat er in het verhaal werkelijk wordt gezegd, geschreeuwd en gegild. Het is een literair ‘goed geweten’ geworden – verfijnd, ontwikkeld en met goede manieren, maar het leest niet meer.