Guerrilla’s in de mist

KAMPALA - Tweehonderdvijftig dollar hebben ze betaald om precies één uur in het Bwindi Impenetrable National Park de uiterst zeldzame berggorilla te kunnen bekijken. De zes uitverkoren toeristen die deze maandag de tocht zullen maken zitten om half zeven ‘s(ochtends, als juist de eerste zonnestralen zich door de ochtendmist wringen, al lang en breed klaar om te vertrekken. Klaar om vele kilometers het 'ondoordringbare’ oerwoud in te lopen, klaar voor een ontmoeting met de Mubale-gorillafamilie.

Andere gasten liggen nog rustig te slapen in hun tent, totdat het ochtendgloren ruw wordt verstoord door ruim honderd rebellen die de dichtbegroeide heuvel aan de andere kant van het pad af denderen. Ze dragen oude T-shirts, hebben om elkaar te herkennen roodbruine banden om het hoofd, kapmessen in de hand en kalasjnikovs over de schouder. Bij de ingang van het park maken ze hun eerste slachtoffer: John Ross Wagaba, de Oegandese parkwachter die in zijn eentje wilde voorkomen dat de wildemannen de kant van de toeristententen zouden opgaan. Met machetes worden zijn armen afgehakt, hij wordt opgehangen aan een boom, met benzine overgoten en in brand gestoken. Oegandezen in het park weten dat ze geen enkele kans maken: dit zijn de gevreesde Hutu-rebellen. De toeristen weten dat niet. Zij worden hun tenten uit getrokken en gevraagd naar hun nationaliteit, of in ieder geval naar hun favoriete taal. Twee groepen willen de rebellen namelijk: Franstaligen en Engelstaligen. De Engelsen en een Zwitserse stewardess die per se bij wat Engelse vrienden wilde blijven, zijn de klos. Iets eerder dan gepland en met een drie keer zo grote groep worden zij het oerwoud in geleid. Niet door ervaren gidsen om een glimp van de berggorilla’s op te vangen, maar door Interahamwe-militia die zich wild met panga’s zwaaiend een weg banen naar de grens met Congo. Halverwege de tocht haakt een gedeelte van de toeristen uitgeput af. Ze mogen terug naar het kamp, horen ze van de rebellen, die spreken in een mix van Engels en Kiswahili. Het kamp bereiken ze niet. Met bijlen en kapmessen worden ze in de bossen afgemaakt. Om een uur ’s(middags wordt met de overgebleven groep het doel bereikt. De Democratische Republiek Congo: veilig, omdat er oorlog is. Onder aanvoering van Mark Ross, een Amerikaanse reisleider die al jaren vanuit Kenia opereert, weet een aantal toeristen te ontsnappen. In totaal acht toeristen brengen het er niet levend vanaf: vier Britten, twee Amerikanen en twee Nieuw-Zeelanders. ’s Avonds laat arriveert het Oegandese regeringsleger. Er valt nog weinig te redden. HET IS DINSDAGMIDDAG als in Kampala de eerste berichten over dodelijke slachtoffers binnendruppelen. Onduidelijkheid is er over het aantal doden en over de nationaliteit van de slachtoffers. Aanvankelijk wordt gemeld dat vier Oegandezen zijn gesneuveld, pas later in de week blijkt alleen parkwacht John Ross Wagaba gedood. De in groten getale ingevlogen buitenlandse pers interesseert dat niet: god mag weten waarom, maar ergens in de Afrikaanse jungle zijn toeristen vermoord, en daarvan moet verslag gedaan. De redactie Binnenland van The Monitor voelt zich ondertussen flink buitenspel gezet. De Britse en Amerikaanse verslaggevers eisen alle aandacht op en tijdens een persconferentie in een afgeladen Nakasero State House mochten de Oegandese journalisten hun eigen president niet eens vragen stellen. ‘Onze vrienden van overseas hebben vandaag voorrang’, verduidelijkte perswoordvoerder John Nagenda. 'De hele wereld moet kunnen zien dat wij er alles aan doen om Oeganda veilig terrein te maken voor toeristen’, voegde president Museveni daaraan toe. In scherpe bewoordingen keurde de president de aanval af en zei de 'criminelen’ die deze aanslag op hun geweten hadden zeker te pakken te krijgen. 'En als we ze niet kunnen pakken, dan doden we ze.’ Museveni bood tot drie keer toe de families van de Britten, Amerikanen en Nieuw-Zeelanders zijn excuses aan voor de Oegandese onveiligheid die de acht fataal werd. De vier Oegandese slachtoffers, waar woensdag nog sprake van was, vergat hij. 'ALS DE PRESIDENT zijn excuses zou moeten aanbieden voor alle Oegandezen die er dagelijks sterven, zou hij geen tijd meer hebben om te regeren’, grapt donderdagochtend 'The Lizard’, een stripfiguurtje linksonder op de voorpagina van The Monitor. En gelijk heeft hij. Vrijwel dagelijks worden Oegandezen getroffen door rebellenaanvallen. De president heeft hiervoor nog nooit zijn excuses aangeboden. In het noorden van het land heerst de door het islamitische Soedan gefinancierde Lord’s Resistance Army (LRA) dat in naam van God sinds 1986 jonge kinderen ontvoert, martelt en vermoordt. Grote delen van het westen worden sinds een paar jaar geteisterd door aanvallen van de Allied Democratic Forces (ADF), opererend vanuit Congo. Juni vorig jaar viel de ADF nog een technische school in West-Oeganda aan: zestig studenten levend verbrand. Noch de president, noch buitenlandse kranten besteedden er aandacht aan. 'Na deze week weten we weer wat onze Afrikaanse levens waard zijn’, verzuchtte Monitor-hoofdredacteur Charles Onyango-Obbo tijdens een redactievergadering. 'Om de Oegandese grenzen te verdedigen’ is de UPDF (Ugandan People’s Defence Forces, het Oegandese regeringsleger) betrokken bij de oorlog in Congo, luidt de regeringsverklaring. Tegenover Zimbabwe, Angola, Tsjaad en Namibië die president Kabila steunen, staan de rebellen, gesteund door de legers van dikke vrienden Rwanda en Oeganda. Tijdens de persconferentie afgelopen woensdag in het State House maakte president Yoweri Museveni ten overstaan van de gehele buitenlandse pers van de gelegenheid gebruik om de betrokkenheid van Oeganda in de oorlog in Congo nog eens te verdedigen. Grensoverschrijdingen zoals die van de Interahamwe-rebellen in het gorillapark probeert de UPDF door haar aanwezigheid in de Congolese anarchie te voorkomen, zei hij. Museveni: 'De aanval op de toeristen bewijst dat wij een goede keus hebben gemaakt. Als er nu niet iets gedaan wordt, zal de hele regio in een bloedbad veranderen.’ De aanwezigheid van de UPDF-troepen in Congo is omstreden - vooral in eigen land, waar alle winst van de sterk groeiende economie wordt opgeslokt door de extreme defensieuitgaven. De ontwikkeling van het land, de ontwikkeling van de Oegandezen, wordt belemmerd. Kritische Monitor-journalisten zijn ervan overtuigd dat Museveni uit is op de enorme hoeveelheid natuurlijke rijkdommen (goud!) van Congo. 'Om je eigen grenzen te verdedigen’ hoef je immers niet honderden kilometers dat land in te trekken. DONDERDAGMIDDAG, Buhoma - Traag trekt de nevel over de boomtoppen. Het is benauwd warm in Bwindi Impenetrable Park. Maar de enorme bossen en het gekrijs van allerhande aapjes en vogels geven de natuur hier iets overweldigends. Die toeristen die tot afgelopen maandag voor veel geld aan dit gebied een bezoek brachten, waren zo gek nog niet. In het Community Camp, vlak achter de hoofdingang van het park, heeft de natuur plaatsgemaakt voor een enorm regiment soldaten. Zij waken over een groep westerse journalisten en een handjevol parkmedewerkers, de schrik nog altijd niet te boven. Tussen de geraamten van hutten, terreinwagens en vrachtauto’s liggen allerhande bezittingen van de verjaagde toeristen als stille getuigen over de grond verspreid. De oude, grijze Gongo Tibesigwa, manager van het Community Camp, is sinds maandag niet meer thuis geweest. Zijn witte T-shirt met de afbeelding van een van 'zijn’ berggorilla’s is inmiddels stinkend smerig. Natuurlijk, hij wist dat er rebellen in het bos zaten. 'Maar zij zouden het gemunt moeten hebben op Oegandese soldaten, niet op onschuldige toeristen.’ Een van Tibesigwa’s gidsen had maandag toevallig een dagje vrij gekregen. Nu toont hij geïnteresseerden de route die de rebellen hebben genomen toen ze met de toeristen de bergen introkken. Ongeveer twee kilometer lopen we over de brede zandweg die het kamp van het bos scheidt. Dan rechtsaf de wildernis in. Een enkele sandaal markeert de entree van het bospad. 'Achtergelaten door een van de toeristen’, zegt de gids haast onbewogen. Al na een paar honderd meter is het pad nauwelijks meer begaanbaar. Toch is de groep gegijzelden maandag nog zeven kilometer doorgelopen. Zeven kilometer naar de grens met Congo. We keren terug naar het kamp. Manager Tibesigwa is druk in de weer: uit het enige overeind gebleven kantoortje sleept hij het ene na het andere houten stoeltje naar buiten. Hoog bezoek: legercommandant luitenant-kolonel Benon Biraro komt verslag doen van de vorderingen in de rebellenjacht; zo'n man kun je niet in het gras laten zitten. Als Tibesigwa hem een stoel heeft aangeboden, steekt de militair van wal. Glunderend meldt hij dat deze ochtend vijftien vermeende Interahamwe-rebellen door 'bevriende troepen’ van de Rwandese RPF in Congo zijn overmand. 'Wij waren met vijfhonderd, zij met vijftien. Niet al te moeilijk dus.’ Waarschijnlijk maakten ze deel uit van de groep die maandag het kamp had aangevallen, maar zeker weet Biraro het niet. En navertellen kunnen de vijftien het in ieder geval niet. Biraro vist twee ansichtkaarten uit zijn binnenzak. Op de eerste een ijsvogel, op de tweede een gorilla. Hij leest de in gebroken Frans geschreven teksten aan de achterzijde voor: 'Dit is de straf voor Anglo-Saxen die ons verkochten om de minderheid te beschermen en de meerderheid te onderdrukken’, en: 'Dit is de straf voor Anglo-Saxen die een groep Bantu’s verraden hebben. Het is een les. Zij die dit niet begrijpen, willen het niet begrijpen. Maar ze zullen leren, met behulp van de krachten der natuur.’ WRAAK VOOR de rol van Oeganda, en indirect de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, in het omverwerpen van de Rwandese Hutu-regering in 1990 - dát is voor de Interahamwe-militia het enige motief. Oeganda moet maar eens voelen welk slagveld het in Rwanda heeft aangericht. Een begrijpelijke reactie, gezien de wijze waarop de Tutsi-minderheid in Rwanda aan de macht is gekomen. Majoor Paul Kagame en majoor-generaal Fred Rwigyema, in 1990 de leiders van het Rwandees Patriotic Army (RPA), maakten immers eerder deel uit van de selecte groep NRA-rebellen die onder aanvoering van Museveni in 1981 vanuit de bush de strijd aangingen met het Oegandese Obote(II-regime, met de inname van Kampala in 1986 tot gevolg. Op aanraden en met materiaal van hun vroegere kameraad Museveni, op dat moment al president van Oeganda, probeerden Kagame en Rwigyema in 1990 dat kunstje nog een keer te flikken, maar dan in Rwanda. De grote verschillen tussen Rwanda anno 1990 en Oeganda anno 1981 hadden ze evenwel niet ingecalculeerd. Museveni’s rebellenleger in Oeganda genoot een vrij brede steun onder de bevolking: alles beter dan dictator Obote. De RPA (later RPF: Rwandees Patriotic Front) was georganiseerd langs tribale lijnen en genoot slechts steun van de tien procent Tutsi-minderheid in Rwanda. Door de enorme financiële en militaire steun die de RPF van Oeganda en zijn Angelsaksische partners ontving, kon de minderheid evenwel aan de macht komen. Met de genocide in 1994 die bijna een miljoen Tutsi’s en gematigde Hutu’s het leven kostte tot triest gevolg. Het zijn dezelfde Interahamwe-militia die hiervoor verantwoordelijk worden gehouden. De teksten op de ansichtkaarten die ze achterlieten bij de dode toeristen laten aan duidelijkheid niets te wensen over. De Interahamwe wil wraak voor de rol van Oeganda en voor het vuile spel van de voormalige westerse kolonisatoren in Afrika: Frankrijk dat van 1959 tot 1990 de Hutu-republiek steunde om het Franse taalgebied te beschermen, Groot-Brittannië dat via Oeganda de overwegend Engelstalige RPF steunt. DE BEHEERDER van de airstrip van Kisoro weet niet wat hem overkomt. Normaal landen hier ongeveer twintig vliegtuigen per maand, nu is het de hele week al raak: FBI, Scotland Yard, regeringsfunctionarissen, journalisten: allemaal willen ze even snel landen op Kisoro. Onaangekondigd. 'Hoor ik een vliegtuig, moet ik als een bezetene meteen weer naar de slagboom. Tja, je moet toch zien te voorkomen dat er te veel fietsers op de landingsbaan rondrijden’, verzucht de man met een getergde blik. Maar hij begrijpt het wel: iedereen wil naar het Bwindi Park om met eigen ogen te zien wat Hutu-rebellen kunnen aanrichten. 'Na elf uur durven wij de straat niet meer op. Overdag is het veilig, maar ’s(nachts worden de bossen beheerst door de rebellen. Ze roven onze hutten leeg, ze schieten onze mensen dood. Dat is nu al bijna een jaar zo. Om eerlijk te zijn: ik ben er wel blij mee dat er nu ook eens wat toeristen vermoord zijn. Vanuit de hele wereld is er nu eindelijk aandacht voor de situatie in Oeganda, voor de problemen van de gewone mensen, dagelijks op de vlucht.’ Het geluid van een naderend vliegtuig: de beheerder schrikt wakker uit zijn klaagzang. Onderweg naar de slagboom roept hij nog haast onverstaanbaar: 'Dat mag ik toch wel zeggen, hè?’