MEDIA

Guillauté’s droom

Ze blijven intrigeren, die visionaire ontwerpen en ideeën van de zeldzame geesten uit vroegere tijden, die op een of andere manier werkelijkheid zijn geworden. In hun fantasie ontwikkelden ze toepassingen van technieken die nog niet eens waren uitgevonden. Zo schotelde de Franse schrijver en illustrator Albert Robida in zijn platenboek La guerre au vingtième siècle, verschenen in 1887, zijn lezers een huiveringwekkend beeld voor van het slagveld van de toekomst.

Robida’s oorlog van de twintigste eeuw is niets minder dan de totale Krieg, op het land, in de lucht en op het water, gevoerd met raketten, bommenwerpers, amfibievoertuigen, gepantserde treinen en tanks, onderzeeboten en gifgas.

Minder zwartgallig, maar even visionair was het beeld dat de Britse schrijver H.G. Wells – nu vooral bekend als auteur van War of the Worlds – een gehoor van bibliothecarissen eind jaren dertig voorhield. Hij voorspelde niet alleen de komst van een information highway, die ‘een compleet, planetair geheugen voor alle mensen’ mogelijk zou maken, maar ook de komst van ‘microscopische bibliotheken’ waarin foto’s van alle belangrijke boeken en documenten konden worden opgeslagen – en toegankelijk gemaakt. ‘De tijd is nabij’, aldus Wells, ‘dat iedere student in ieder deel van de wereld thuis in zijn studeerkamer, op zijn of haar gemak op zijn projectiescherm ieder boek of document, in een exacte kopie, kan bekijken.’

Minstens zo fascinerend als de toekomstprojecties van Robida en Wells zijn de denkbeelden die de Franse ingenieur en officier van politie Jacques François Guillauté twee eeuwen eerder ontvouwde in zijn rijkelijk geïllustreerde manuscript Mémoire sur la réformation de la police de France. Met dit werk, verschenen in 1749 en opgedragen aan koning Lodewijk XV, hoopte Guillauté een steviger fundament te leggen voor de openbare orde: een geperfectioneerd registratiesysteem, waardoor de politie iedereen altijd zou kunnen traceren. Om te beginnen zouden alle straten, gebouwen en woningen in Parijs een nummer krijgen, alle burgers een identiteitskaart en alle koetsen een kentekenplaat. Deze registratie vormde de grondslag van een omvattend archief van persoonsdossiers, dat de koning in staat zou stellen ‘iedere centimeter van de stad [te] leren kennen, als ware het zijn eigen huis’. De koning, aldus Guillauté, ‘zal meer over de gewone burgers weten dan hun buren en de mensen die ze dagelijks zien’, hetgeen hem ‘een absoluut betrouwbaar beeld van de stad zou verschaffen’.

Om de enorme hoeveelheid informatie beheersbaar en toegankelijk te maken, ontwierp Guillauté een gigantisch mechanisch archief: een controlekamer, bevolkt door ambtenaren achter bureaus die tegen de muren zijn geschoven. Aan de andere zijde van de muren staan metershoge ronddraaiende wielen met daarin dossierkasten, als de schoepen van een watermolen. Ambtenaren kunnen de wielen met een trappedaal laten draaien om vervolgens via een luik het gewenste dossier uit de kast te trekken, zoals te zien is op een schitterende illustratie in het boek. Le serre-papiers, betitelde Guillauté zijn nooit gerealiseerde, maar imposante constructie, ‘de papierhouder’ – alsof het ging om een eenvoudig hulpstuk op het bureau.

Guillauté’s rapport is vanuit verschillende perspectieven interessant. Zo weerspiegelen zijn plannen een andere manier van denken over de stad, maar ook over de bureaucratie en de staat als controlerende macht – in dit geval letterlijk, in de oorspronkelijke betekenis van de term contre-rolle: de kopie van een document waarmee de echtheid van het origineel kan worden vastgesteld. De Papierhouder is, kortom, een gigantisch controlemachine ten dienste van de staat.

De droom van Guillauté is niet gestorven. Integendeel, 260 jaar later proberen zijn erfgenamen zijn werk te perfectioneren, niet alleen met bewakingscamera’s en immense registratiesystemen, maar ook in de vorm van algoritmen en trackprogramma’s. Daarbij gaat het niet alleen meer om de openbare orde en veiligheid, maar ook om geld: Google, Facebook, Amazon en andere firma’s weten intussen meer van ons dan ‘onze buren en de mensen die wij dagelijks zien’ – en daarop is hun marktwaarde gebaseerd. Overheden zitten evenwel niet stil, niet in Europa en al helemaal niet in de VS.

Diana Priest, verslaggever bij The Washington Post en erkend specialist op het gebied van nationale veiligheid, schat dat het bedrag dat de Amerikaanse overheid sinds 9/11 aan contraterrorisme, binnenlandse veiligheid en informatie uitgeeft, met 150 procent is gestegen. Militaire diensten zijn hierbij niet inbegrepen. De vele miljarden komen terecht bij 1271 overheidsinstellingen en 1931 bedrijven, waar niet minder dan 850.000 mensen toegang hebben tot top secret veiligheidsdossiers. Maar ondanks alle politieke retoriek werkt het systeem niet, integendeel, er heerst een onbeschrijflijke chaos. De veiligheidssector is zo omvangrijk en gecompliceerd dat niemand meer weet wat er precies gebeurt.

De droom van Guillauté leeft, maar de werkelijkheid blijkt weerbarstiger. Gelukkig maar.