Guirlandes

Of ik niet iets anders moet gaan doen dan knutselen. Maar ik ben vitaal en de dingen zijn moe!

Een hele week geschuurd, geplamuurd en geverfd en als ik eindelijk het afplakband wegtrek, komt de nieuwe verflaag in lange guirlandes mee.

Ik heb dat woord, guirlandes, sinds de lagere school niet meer gebruikt, denk ik. Het kwam voor in een dictee waarvan ik dat, en één zin, sinds de vijfde klas Montessorischool nooit ben vergeten. Die zin is zo in mijn geheugen verankerd dat ik wel eens bang ben dat hij op ongewenste momenten opduikt. Bijvoorbeeld als ik uit de verongelukte intercity naar Groningen kruip en op de vraag hoe het gaat, roep: ‘De straten zijn feeëriek verlicht en de gevels geheel gepavoiseerd!’

Je leert een boel onzin op school. Wiskunde, bijvoorbeeld. De gewone m/v in de straat heeft er geen donder aan. Ik heb me er tenminste nooit op kunnen betrappen dat ik dacht: had ik nou maar beter opgelet bij wiskunde. Maar het was verplicht. Toen nog twee jaar, tegenwoordig je hele schooltijd. Spellen kan niemand meer, laat staan een behoorlijke zin schrijven. En over kennis van kunst en cultuur hoeven we het niet te hebben. Dat is allemaal ten onder gegaan aan de misvatting dat dat, in tegenstelling tot wiskunde en sport, leuk moet zijn. Dus lezen de kinderen drie boeken, één young adult, één vertaalde thriller en misschien nog de handleiding van de iPhone en dan ben ik weer de hele tijd bezig uit te leggen wat een guirlande is en krijg je ruzie als je een woord gebruikt dat iemand niet kent. Of ik soms denk dat ik beter ben als de anderen, ja? Nee, dan de anderen. Ja, dat zeg ik toch, eikel!

De verf kwam los omdat ik mij in de bouwmarkt had gefocust op schrobbestendige verf en vergat dat de nieuwe laag natuurlijk dezelfde samenstelling moet hebben als de oude: latex. Het lag niet aan mij. Ik kon mijn hoofd er niet bij houden door het gekwetter van reclamedisplays die overbodige nicheproducten aanprezen. Dingen als kit-strijkertjes, plastic vormpjes waarmee de doehetzelver een voeg kan gladstrijken. Gewoon met de vinger gaat net zo goed. Nee: beter. Maar daar zijn ze in de bouwmarkt niet in geïnteresseerd. Er moet omzet worden gedraaid en dus hangt aan elk rek een scherm waarop een opgewonden Tel Sell-stem suggereert dat het einde der tijden net is afgewend door Deze Spectaculaire Nieuwe Uitvinding.

‘Waarom ben je in godsnaam zoveel aan het klussen?’ vraagt vriendin G.

Een kwestie voor Rupert Sheldrake, lijkt mij. Ik kan er in ieder geval geen logische verklaring voor vinden dat alles in huis ineens restauratie behoeft, dat de droger kapotgaat, de melk bederft en mijn vrouw steeds mysterieus zucht. Misschien is het morfische resonantie, hoewel mijn opvoeding suggereert dat het aan mij ligt. Ik denk altijd dat alles aan mij ligt. Gisteren nog wilde ik thee zetten voor het bezoek en zei ik ‘sorry’ omdat een pijnscheut door mijn knie trok. Die knie is er dus ook mee opgehouden. Het moet niet langer zo doorgaan of ik verander in de onheilsprofeet die in Kuifje en de geheimzinnige ster het einde der tijden aankondigt.

Het klussen brengt me in contact met eigenzinnige mannen en vrouwen die zeer gespecialiseerde bedrijfjes runnen. In loodsjes op oude industrieterreinen, in schuren en omgebouwde garages drijven ze handeltjes en ploeteren noest en artisanaal voort. En net zoals het ene boek je naar het andere voert, leidt de meubelmaker mij naar de metaalwarenkenner en bestel ik dingen die vast ooit van pas komen, maar nu nog niet. Ik bezit een blik microkristallijne was (ontwikkeld door het British Museum!), twintig neodymium magneetjes waarvan tien met een haakje (waarmee je van alles kunt ophangen, maar ik weet nog niet wat), twee ledstrips die op lithium-ion branden (misschien krijg ik nog een donkere kast) en een blik milieuvriendelijke doch nietsontziende verfverwijderaar. Voor dat laatste voel ik grote scepsis. Warme gevoelens voor plant en dier gaan volgens mij niet goed samen met een effectieve aanpak van honderd jaar oude verflagen.

Ik denk dat ik een piek heb bereikt terwijl het huis in een dal is geraakt. Ik bevind mij op het snijpunt waar mijn persoonlijke vitaliteit en de vermoeidheid der dingen elkaar raken. In zekere zin een gelukkig toeval. Andersom en heel het raderwerk dat ik leefomgeving noem zou krakend tot stilstand komen.

‘Maar moet je niet iets gaan doen?’ zegt mijn vriendin G.

Ik denk altijd dat alles aan mij ligt

‘Ik doe…’

‘Iets anders dan knutselen.’

Nou, ik ben toevallig ook nog bezig geweest om uit zoeken waarom het niet klopt als iedereen zegt dat alles de schuld van links is. Zeg maar: small data.

‘Weet jij’, zeg ik, ‘dat er in 169 jaar parlementaire democratie niet meer dan drie kabinetten met een linkse meerderheid waren en dat links op een totaal van 61685 dagen maar 15457 dagen heeft meegeregeerd?’

‘Dat heb jij uitgezocht…’

‘Ja, en dat we in totaal 65 kabinetten hebben gehad, waarvan links elf keer meedeed. Ik bedoel: hoezo invloed? In totaal is links 4574 dagen “aan de macht” geweest in dit land. In honderd-negen-en-zestig jaar! Waar is dat idee op gebaseerd dat links alles naar de kloten heeft…’

‘Ik wil niet veel zeggen’, zucht G., ‘maar dit heeft ook een hoog klusgehalte.’

‘De grootste kranten zijn rechts, het grootste opinieweekblad… Links is een machteloze minderheid. Altijd geweest. Dat gekanker op links gaat ergens anders over.’

‘Een roman schrijven’, zegt G. ‘Is dat iets?’

‘Ik moet eerst nog een heleboel oude verf verwijderen.’