Bordeelscènes

Gulsicheit

De opkomst van het alledaagse leven in de schilderkunst betekende ook de komst van het bordeel.

Medium bordeelsce cc 80ne 24

Wie een vogelkooi ziet hangen op een schilderij weet het meestal wel: hier wordt gevogeld. Dit schijnt niet eens louter symboliek te zijn. In bordelen hingen waarschijnlijk echt vogelkooien. In de mooiste bordeelscène op de tentoonstelling, Bordeelscène met ruziënde prostituees (circa 1530) bungelt de kooi in de deuropening. Dat bungelen heeft een functie: het versterkt de heftigheid van de schermutseling op de vloer. Een prostituee krijgt daar een aframmeling van een collega, of van haar baas, de hoerenmadam. Een man blust het gevecht met water, letterlijk. Een ander probeert tussenbeide te komen, maar wordt tegengehouden door een vrouw. Echte paniek lijkt er niet te zijn. Aan tafel gaat het drinken en flikflooien gewoon door. De kunstenaar, vanwege gebrekkige informatie over hem de ‘Brunswijkse Monogrammist’ genoemd, heeft links op het paneel een geleerd geklede klant geschilderd die via een trap een peeskamertje verlaat.

Op werken als deze is eindeloos veel te zien, als zijn het zoekplaatjes. Bovendien blijkt uit gebruik van nieuwe technieken als infraroodreflectografie dat de Brunswijkse Monogrammist soms iets anders heeft geschilderd dan nu zichtbaar is. Zo heeft hij op een bordeelscène met een wafelbakster een huursoldaat geschilderd die, half naakt, pist in een pot in de peeskamer. Ooit was die man een Franciscaner monnik, herkenbaar aan zijn bruine habijt en zijn geschoren kruin. Maar enkele jaren na oplevering van het werk is de monnik overgeschilderd, en veranderd in een huursoldaat. Waarom? De geleerde die zich het diepst in de Brunswijkse Monogrammist heeft verdiept, Matthias Ubl van het Rijksmuseum, meent dat de opkomende Reformatie schuldig is. Zo’n monnik kon als kritiek op de katholieke kerk worden opgevat, wat ‘zo kort na Maarten Luthers openlijke en felle aanval op de misstanden in de katholieke kerk’ een ‘riskante zaak’ was. Dat de overschildering al uit de tijd van de Monogrammist stamde, weten we omdat een kopie uit omstreeks 1540 niet de monnik maar de landsknecht bevat.

Wellicht kan deze overschildering helpen te begrijpen waaróm kunstenaars in de zestiende eeuw bordelen gingen schilderen, voor het eerst sinds de Oudheid. Om mensen te laten lachen? Mannen vallen in slaap, laten zich bestelen door hoertjes, bedrinken zich, en af en toe bezwijkt zelfs een monnik voor de begeerte. Dikke pret. Of is zo’n scène een waarschuwing, een morele les: doe dit niet. Want zo zal het je vergaan als de ‘gulsicheit’ je in de greep krijgt.

Zou een koper destijds hebben gezegd: ‘Ik heb dit schilderij opgehangen als waarschuwing aan mijn dochter?’

De kenners zijn er niet uit. De samenstellers van de tentoonstelling geloven niet in de moralistische les. Het publiek in de zestiende eeuw moest lachen om scènes met dronken boeren, landsknechten en amechtig vleiende hoeren. Ubl daarentegen, die voor de tentoonstellingscatalogus over de Brunswijkse Monogrammist schreef, volgt de ‘oude’ lijn: hij verkiest moraal boven grap. Een kijkje in een bordeel is bedoeld om de zonde aan de kaak te stellen. ‘De bijbel was in deze tijd nooit ver weg.’ Wat voor Ubls these pleit, is dat de scènes mannelijke kijkers angst aanjagen. Verblind door drank- en gokzucht (ook dobbelstenen zijn nooit ver weg) verlies je meer dan je lief is. Dat kan grappig zijn, maar ondertussen zal de kijker toch denken: dit moet je niet overkomen. Wat voor de humorthese pleit is dat publieke intellectuelen destijds walgden van deze schilderijen. Erasmus maakte zich ernstige zorgen over het ‘onfatsoen’ en Walter Rivius, een collega, richtte zich expliciet tegen de poep- en plashumor in de werken. Moralisten zouden zich niet ergeren als de schilderijen als morele les waren bedoeld.

Dus de mensen lachten om deze kunst? Moeilijk na te voelen, maar het kan. Wij lachen immers ook om de tekeningen van Gummbah. Op een typerende Gummbah copuleert een klein mannetje met een grote, heel grote vrouw, bij voorkeur van achteren. Soms wordt hij door zo’n vrouw vermorzeld. Humor dus. Maar dan is de graffiti op de muur van Bordeelscène met ruziënde prostituees niet goed te begrijpen. Er is een haan getekend als een vliegende penis met balzak. Daaronder staat de zin, in wit krijt getekend: ‘[D]at [D]inck [D]oet [D]ie [D]ochter [D]alen.’ De d’s zijn vervangen door fallussen.

Dat klinkt als een ernstige les, niet als een grap. Tegelijk: zou een koper in de zestiende eeuw echt hebben gezegd: ‘Ik heb dit schilderij opgehangen als waarschuwing aan mijn dochter?’ Dat klinkt als een historische variant op: ‘Ik koop de Playboy voor de interviews.’

Het lijkt ook onwaarschijnlijk dat kunsthistorici over vijfhonderd jaar nog begrijpen, of navoelen, waarom burgers aan het begin van de 21ste eeuw lachten om de absurdistisch vunzige tekeningen van Gummbah. Wellicht dat die historici dan als oplossing bedenken dat hij het moralistisch bedoelde. Gummbahs tekeningen als lesjes. Iets als: blijf weg bij grote vrouwen.


Beeld: Brunswijkse Monogrammist, Bordeelscène met ruziënde prostituees_, paneel, ca. 1530, 29 x 45 cm. Foto Staatliche Museen zu Berlin_