W.O.J. Nieuwenkamp, Raden Mas Jodjana, 1932 © Michiel Elsevier Stokmans

‘Indië kan niet uit mij worden weggedacht. De grondslag van mijn werk is Oostersch’, zei de kunstenaar Jan Toorop in 1925, en dat was niet raar, want hij was er geboren, net als zijn ouders, en hij was ook nog ‘van gemengde afkomst’. Datzelfde Indië zat echter ook bij veel Hollandse kunstenaars op de één of andere manier in het systeem, om niet te zeggen: in het bloed. De tentoonstelling in Museum Het Schip snijdt de relatie met dat ‘Indië’ op een veelzijdige manier aan. Nederlandse kunstenaars, maar architecten en vormgevers in het bijzonder, waren een eeuw geleden zeer geïnteresseerd in de cultuur van Indonesië. Er waren er nogal wat, die meenden dat ‘de Oost’ een belangrijk spiritueel centrum was, zuiver, want nauwelijks aangeraakt door westers materialisme. De mystiek daar leek nauw aan te sluiten op internationale doorbraak-religies als de theosofie, waar Karel de Bazel en Mathieu Lauweriks aanhangers van waren. Dan waren er, die ter plaatse de lokale architectuur kwamen bestuderen, om die in beeld en geschrift naar Europa te kunnen overbrengen. Zo liggen hier aquarellen van Wijnand Nieuwenkamp, die uitvoerig door de archipel reisde; er is werk van Johan ten Klooster, ook van gemengde afkomst, Knil-militair, maker van hele goede houtsneden; en er zijn schetsen van H.P. Berlage, die er in 1923 rondkeek en er in 1931 een boek over publiceerde.

Aan de hand van een filmpje met de oud-antiquair Frans Leidelmeijer wordt in kort bestek (en heel overtuigend) getoond hoe Amsterdamse School-architecten als La Croix, De Klerk en Kramer heel direct elementen uit de Indonesische cultuur overnamen. Leidelmeijer wijst er bijvoorbeeld op dat op het dak van het Scheepvaarthuis twee stoepa’s staan, en dat de schoorstenen van gebouw Het Schip de koppen van naga’s zijn – slangen met een leeuwenkop; de golvende daklijst verbeeldt het lijf van de slang. En wie heeft opgemerkt dat in de gevels van het Dageraad-complex in De Pijp afbeeldingen van Vishnu en Garuda zijn opgenomen?

Van die interactie is hier veel te zien. Elementen van Minangkabause en Toba-Batakse architectuur in volkswoningprojecten en villabouw; de gunungan-vorm, eigenlijk uit het wajang-theater, hier omgevormd tot klok; vorstelijke batikpatronen toegepast op bloemenvazen en boekomslagen, enzovoort. Ook is er enige aandacht voor de invloed van die Nederlandse kunstenaars op de architectuur in Indonesië zelf, bijvoorbeeld in woningbouwprojecten in Semarang door de limonadefabrikant Tillema.

Die interactie is tegenwoordig omstreden, want deel van een ongelijke, koloniale verhouding, en het is duidelijk dat in het zich toe-eigenen van motieven en vormen uit Indonesië, de kunstenaars die vormen nogal eens losmaakten van hun oorspronkelijke betekenis. Een Indonesisch deskundige zegt hier fijntjes dat sommige batikmotieven eigenlijk alleen door de sultan van Djokja gedragen mogen worden, en zeker niet bedoeld waren voor zoiets Hollands als vloerbedekking. Toch is die relatie duidelijk dieper dan alleen maar koloniaal: de band met Indië werd werkelijk heel sterk gevoeld, en uit de werken van de kunstenaars en architecten hier spreekt enthousiasme, bewondering, en respect.

‘Indonesië en De Amsterdamse School’ in Museum Het Schip, Amsterdam, t/m 27 augustus.