Het Bildungsideaal van Catherine Malabou

Gymnastiek voor het plastische brein

In haar boek Wat te doen met ons brein? overbrugt de Franse filosofe Catherine Malabou de kloof tussen de neurowetenschap en de geesteswetenschap. Ze pleit voor ‘neurobewustzijn’. En voor hersengymnastiek.

DE CONTROVERSE tussen neurowetenschappers en psychologen over de werking van het brein strandt langzamerhand in het afserveren van elkaars opvattingen. Die wederzijdse minachting vermengt zich ook nog eens met een ideologische strijd. Want waar hersenonderzoekers met het ontkennen van een vrije wil het maakbaarheidsideaal opblazen en psychologisch gesleutel weghonen, zijn geesteswetenschappers ervan overtuigd dat mensen wel hun levenslot kunnen beïnvloeden.
Maar er zijn onderzoekers die deze loopgravenoorlog proberen te doorbreken. Het is niet het een of het ander, zeggen zij, want het brein is een plastisch orgaan en is daarmee veranderlijk en dús maakbaar. De Franse filosofe Catherine Malabou is een van hen. In 2004 publiceerde zij Wat te doen met ons brein? dat vorige maand met een geactualiseerd nawoord in Nederlandse vertaling verscheen. Het boek is een strijdverklaring tegen het neuroreductionisme. Volgens Malabou (1959) blijven we hangen in de opvatting dat het brein enkel een machine is die ons gedrag aanstuurt. Een kijk op de hersenen die Malabou omschrijft als ‘programma zonder belofte’ en die niet strookt met de meeste recente ontwikkelingen in de neurowetenschap. Want in de laboratoria van de cognitieve wetenschappers wordt juist steeds meer onderzoek gedaan naar hoe het brein gedurende een mensenleven verandert én dat we daar zelf invloed op hebben (zie kader).
De veranderlijkheid van het brein heeft implicaties voor ieder individueel leven, ja zelfs voor de hele inrichting van de samenleving, meent Malabou. Ze verbindt het inzicht dat de hersenen plastisch zijn - een dynamische 'zak’ vol synapsen - ferm aan nieuwe maakbaarheidsidealen. De Française pleit zelfs voor 'een neurologisch bewustzijn’, dat ze vergelijkt met het marxistische klassenbewustzijn. Hoe dát dan werkt is nog deels terra incognita, blijkt tijdens een gesprek in een Amsterdamse hotelkamer. Ze is wel stellig dat 'we staan voor een nieuwe fase in onze menselijke ontwikkeling’ waar we 'hard aan toe zijn’. Want het huidige discours rondom de neurowetenschappen leidt tot passiviteit en uniformiteit.

UW BOEK verscheen in 2004. Wat is er sindsdien veranderd?
'Op zich zijn er geen spectaculaire nieuwe ontdekkingen gedaan over de wijze waarop de neuroplasticiteit functioneert, maar het besef hierover dringt steeds meer door bij het brede publiek. De interesse voor dit onderwerp groeit, omdat er steeds meer kennis is over de oorzaken van hersenziekten en neurologische aandoeningen. Tegelijk constateer ik bij mijn collega’s, en nog meer bij sociologen en psychologen, toenemende weerstand tegen alles wat er uit de koker van de neurowetenschap komt. Zoveel gretigheid er is bij het brede publiek, zoveel afkeer proef ik in de geesteswetenschappen.’
Waarom al die weerstand?
'Wetenschappers zien al snel bedreigingen voor hun vakgebied. En dus zijn er aparte neurolinguïsten, neurobiologen, neuro-antropologen, neuropsychologen, noem maar op. Iedere groep bekijkt het hersenonderzoek vanaf een eigen eiland, verbindingen worden niet gelegd. De geesteswetenschap is sowieso bang om haar eigen inzichten ter discussie te stellen - heel klassiek dus. De meeste hersenwetenschappers zien op hun beurt weer niet dat er een relatie is met de inrichting van onze samenleving. Ik ervaar het zelf ook: mijn collega’s binnen de continentale filosofie reageren vaak argwanend op mijn boodschap.’
En die luidt?
'Tot ongeveer de jaren tachtig van de vorige eeuw was de algehele overtuiging dat het brein een rigide, onbeweeglijk orgaan is. Maar al sinds eind negentiende eeuw wordt er onderzoek gedaan waaruit blijkt dat de hersenen meer zijn dan weefsel waar energie door circuleert. Er worden voortdurend nieuwe cellen aangemaakt en nieuwe synaptische verbindingen gelegd. De hersenen veranderen niet alleen onder invloed van interne chemische factoren, maar ook door invloed van buitenaf, zoals ervaring, educatie, training, en door alcohol, drugs, roken, stress en nachtrust. Daarom mogen hersenen ook niet beschouwd worden als een netwerk van definitief gelegde kabels.’
Malabou, met haar rode leren jack en gymschoenen niet bepaald een prototype kamergeleerde, vertelt hoe ze vanuit haar vakgebied op deze lijn van denken is gekomen. Bij het bestuderen van de werken van Hegel en Goethe constateerde ze dat de Duitse denkers over 'plasticiteit’ als wezen van de mens spraken. De mens is zowel in staat om vorm te ontvangen als om vorm aan iets te geven. Omdat die term ook in de neurowetenschappen werd gebruikt, besloot ze te gaan praten met hersenonderzoekers en mee te kijken met fMRI-scans. Een bijzondere keuze binnen de Franse filosofische traditie die de natuurwetenschappen doorgaans met achterdocht benadert. Niet voor niets reist de filosofie die in Nanterre doceert wekelijks door de Eurotunnel naar Engeland waar ze aan de Londense Kingston University colleges geeft over in haar geliefde onderwerp, het plastische brein.
Uw Franse collega’s staan niet open voor de neurowetenschappen, maar u constateert ook starheid bij neurowetenschappers?
'Zij constateren wel dat de hersenen plooibaar zijn, maar blijven dat toch op een deterministische manier vertalen. In het neurobiologische discours wordt niet de conclusie getrokken zoals ik dat doe: dat we tijdens ons leven dus iets met die plasticiteit kunnen doen. Dat is wat ik bedoel met de titel van mijn boek: wat kunnen we en moeten we doen met ons brein? Het maakt de mens verantwoordelijk voor zichzelf, maar dan op basis van het idee dat de kern van handelen in ons eigen brein ligt.’
Is dat niet een grote stap, naar de politieke vertaling ervan?
'Het is een oproep tot het overwinnen van de weerstand, dat je niks zou kunnen doen omdat alles is vastgelegd in je brein. Het je onderwerpen aan een brein dat “af” is vind ik een onverdraaglijke en onhoudbare gedachte. Als je werkt aan je lichamelijke gezondheid door te sporten en door gezond te eten, dan kun je ook in je hersenen meer connecties kweken door breingym te beoefenen. Hoe meer synaptische verbindingen je hebt, hoe creatiever je bent. Dat kun je stimuleren door nieuwe ervaringen op te doen, bijvoorbeeld door te reizen. Of nieuwe talen leren, muziek spelen, boeken lezen, door oude gewoonten te doorbreken - dat is gymnastiek waarbij je gebruikmaakt van de plasticiteit van het brein.’

OP DE VRAAG of alleen positieve ervaringen tellen, blijft het lang stil. Het is een heikel punt. Wat doe je met negatieve ervaringen, met botte pech? Uiteindelijk zegt Malabou: 'Je moet negatieve ervaringen leren accepteren, juist door je brein gezond en weerbaar te maken. Wel moet je passieve input zo veel mogelijk zien te vermijden. Neem tv kijken. Dat is een verslavende passieve bezigheid, iets wat gestandaardiseerd gedrag oplevert. De verbindingen in de hersenen nemen daardoor af. Het brein wordt letterlijk leeg en passief. Dat kun je zelfs zien op scanbeelden.’
Het aloude Bildungsideaal maar dan neurowetenschappelijk onderbouwd?
'Inderdaad. Bildung maakt mensen sterk. Een passief brein creëert volgzame mensen die standaard gedrag vertonen. En dat is precies wat machthebbers willen, want je wordt er manipuleerbaar door. Ik vind deze redenatie heel logisch. Als hersenwetenschappers zeggen dat veel lezen goed is, wordt er gerefereerd aan specifieke gebieden die met lezen te maken hebben - en niet naar het brein als geheel, als de hele machine. Een pianist stimuleert niet alleen een specifieke kwab in de hersenen waar muzikaliteit is gelokaliseerd, maar zijn hele persoonlijkheid. Daarom vergelijk ik de hersenen niet met een telefooncentrale of een computer maar met een zich flexibel ontwikkelende machine.’
Uw benadering vergt wat van mensen. Hoe zit het dan met mensen die opgroeien in achterstandsmilieus?
'In mijn boek refereer ik niet voor niks aan Marx’ ideeën over klassenbewustzijn. Dat was in de negentiende eeuw ook een worsteling voor mensen uit de onderklasse, om zich hun eigen positie bewust te worden. Zo is het oproepen tot breinbewustwording bedoeld: als een vergelijkbare aanzet tot emancipatie.’
Hoe werkt dat dan, die bewustwording?
'Dat is lastig. Maar waar het nu, inderdaad nog vrij theoretisch om gaat, is dat plasticiteit meer wordt dan alleen een biologische term. Het betreft de plasticiteit van het hele organisme, en we hebben een betere en democratische vertaling nodig van het toepassen ervan. De meeste mensen weten van niks en denken dat die kennis exclusief is voor de wetenschapper waar zij geen toegang toe hebben. In feite ontbreekt het de neurale mens nog aan een bewustzijn. In die zin blijven we onszelf vreemd.’
Een gebrekkig bewustzijn van de werking van de hersenen. Het lijkt een wat krasse uitspraak in de context van de huidige 'neuro-hype’. Van het boek Wij zijn ons brein van Dick Swaab zijn inmiddels 250.000 exemplaren verkocht. Leesclubjes in het hele land buigen zich met de bestseller in de hand over de functie van de frontale cortex en de locatie van de amygdala. Maar dat wil nog niet zeggen dat er sprake is van volledig neurobewustzijn, volgens Malabou. Natuurlijk, ook zij constateert dat kennis over het brein inmiddels breed verspreid is. Maar dat werkt eerder knechtend dan bevrijdend, aldus de filosoof. 'De meest populaire boeken over de neurowetenschappen gaan niet over wat je kunt doen met je brein. Ze bieden louter technisch inzicht in hoe het brein werkt.’
Toch kan Malabou het succes van die werken wel begrijpen. 'Boeken waarin wordt gesteld dat mensen hun brein “zijn”, verkondigen een heel geruststellende boodschap. Het verlicht de druk die mensen voelen om verantwoordelijk te zijn voor alles wat ze doen. Het is een enorme geruststelling. Mensen kunnen als het ware zeggen: ik was het niet, het was mijn brein. Ik denk dus precies het tegenovergestelde: je kunt wel werken aan dat brein, en daarmee je zelf vormen.’
Wie of wat is dan de onderdrukkende factor?
'Net zoals bij Marx is dat het kapitalistische systeem zelf, want dat is gebaat bij een uniforme massa die zich aanpast aan wat de machthebbers willen. Het eigentijdse kapitalisme gebruikt zelf neurowetenschappelijke metaforen om het eigen functioneren te beschrijven, alsof het hele systeem zelf werkt als een brein. Het gaat om “netwerken”, om “verbindingen” en “flexibiliteit”. Maar plasticiteit, dus vorm aannemen en geven tegelijk, wordt buiten het discours gehouden. Het interessante is dat ze aan de ene kant het belang van het neuroparadigma zichtbaar maken en tegelijk de kracht voor het individu ervan onderdrukken. Er is dus sprake van depressie, in de zin van onderdrukking. Het is niet toevallig dat het eigentijdse kapitalisme samenvalt met een toename van het aantal individuele depressies. Ik zet daartegenover dat je daar wel zelf invloed op kunt hebben: als de vorm van je hersenen via externe invloed kan veranderen, dan kun je ook vorm geven, als een eigen chirurg of beeldhouwer, aan je eigen brein.’

MALABOU voelt zich verbonden met de global justice movement, de Occupy-beweging en andere critici van het postfordistische kapitalisme. Ze trekt een parallel tussen de liberale managementcultuur en het neuropsychologische 'netwerk’. Bedrijven of instellingen zijn gericht op een flexibele werkhouding die van werknemers een voortdurende aanpassing aan de omgeving vraagt, zoals de hersenen ook een organisatievorm hebben van een zich flexibel ontwikkelend organisme. Maar, stelt zij, de kapitalistische opvatting van gedwongen flexibel zijn komt niet overeen met wat we uit de neurowetenschappen kunnen leren, namelijk dat je ook zélf kunt vormgeven: 'In mijn boek behandel ik het verschil tussen flexibiliteit en plasticiteit. Het verschil is dat het eerste alleen van buitenaf - passief - ontvangt wat wordt opgelegd, en het tweede zowel ontvangt als geeft, door zelf vorm te geven aan verbindingen. Alle aandacht gaat vooralsnog uit naar hoe de hersenen ons vormen, niet naar hoe wij de hersenen vormen.’
Hoe - om de parallel met het marxisme door te trekken - ziet een neurologisch bevrijde samenleving er dan uit?
'Dat is moeilijk te zeggen. Biologische emancipatie biedt een nieuwe kijk op productieverhoudingen. Het is eerder onderdeel van het proces om een vrij en creatief mens te worden, door je ervan bewust te zijn dat je wél invloed hebt op de connecties in je brein. In feite verzet de Occupy-beweging zich tegen de uniformiteit, dat ieder een ontvangend flexibel brein moet zijn. Maar we beginnen nog maar net een andere kijk op het brein te ontwikkelen. En natuurlijk doen we het al langer, anders, door bijvoorbeeld in te grijpen met medicatie bij hersenziekten of gedragsproblemen als gevolg van een neurologisch defect. Ik zie een trend die neerkomt op neurocosmetica, het trainen van het brein. Lezen, luisteren naar Mozart, tot op hoge leeftijd raadsels oplossen, je wordt als het ware manager van je eigen hersenen, zoals je ook werkt aan je fysieke conditie. Het resultaat wordt afgelezen op fMRI-scans. Sommige therapieën stoppen met het geven van meer medicatie en gaan behandelen met meditatie. En het werkt.’


Vitale intelligentie

Dat het brein voortdurend verandert is al bekend sinds de Spaanse arts Santiago Ramón y Cajal, Nobelprijswinnaar en grondlegger van de neurowetenschappen, eind negentiende eeuw met hersenonderzoek begon. Maar pas de laatste jaren heeft het plasticiteitsonderzoek een hoge vlucht genomen. Zo beschreef de Amerikaanse hersenonderzoeker Fred Gage, verbonden aan het vermaarde Laboratory of Genetics van het Salk Institute, in 1998 voor het eerst concreet dat het brein geen statisch maar een plastisch, dynamisch orgaan is dat tijdens het hele leven onderhevig is aan verandering. Er ontstond een gedifferentieerde kijk op onze hersenpan. Van het prille babybrein, een leergierig kinderbrein, het verwarde puberbrein, het stabiele maar nog flexibele volwassen brein tot het oude 'grijze’ brein - er worden in verschillende fases nieuwe cellen aangemaakt en de verbindingen ertussen, de synapsen, nemen toe. Dat leidt, óók bij neurobiologen, tot de overtuiging dat het brein maakbaar is.

Onlangs publiceerde de Amerikaanse neurowetenschapper Robert Sternberg van Oklahoma State University een onderzoek onder pubers en studenten waarin wordt aangetoond dat het IQ met twintig punten kan stijgen, of dalen, door stimulatie van het jonge, nog niet uitontwikkelde brein. Anders dan vaak werd gedacht is intelligentie veranderlijk. Sternberg in The Guardian: 'Mensen die mentaal actief zijn hebben daar voordeel van, en wie passief voor de tv hangt betaalt daar de prijs voor; ze scoren lager op IQ-testen.’

Behalve met externe prikkels kunnen de hersenen ook worden beïnvloed door middel van interventies, zoals Deep Brain Stimulation bij ernstige defecten. Daarmee wordt geëxperimenteerd bij patiënten met een obsessief compulsieve stoornis, de ziekte van Parkinson of Alzheimer. Deze technieken hebben volgens onderzoekers de toekomst. De Amerikaanse hersenexpert Zack Lynch, auteur van The Neuro Revolution: How Brain Science Is Changing Our World, spreekt over een nieuwe mens in een neuromaatschappij.

Maar er is vooral nog heel veel níet bekend over de werking van ons brein en de gevolgen van allerlei beïnvloedende factoren. Zo werd deze week een Amerikaans onderzoek gepubliceerd in Archives of Neurology over een significante invloed op bepaalde hersenfuncties bij vrouwen die vanwege borstkanker chemotherapie kregen. De patiënten klaagden over geheugenproblemen bij het uitvoeren van taken die nadenken vereisen. Dat was te zien op MRI-scans door een afname van activiteit in de daarmee samenhangende hersendelen. Het verschijnsel wordt aangeduid als het 'chemo brain’. Artsen schrijven de problematiek meestal toe aan de stress die samenhangt met kanker en de ingrijpende behandelingen.


Catherine Malabou, Wat te doen met ons brein?, Boom, 156 blz., € 19,95