Gysbreght van aemstel is niet dood

Waarom wordt Amsterdams bloedstollende tragedie eigenlijk nooit meer opgevoerd? De ‘Gysbreght’ is - helaas - zeer actueel.

HET MOET MET de Nederlandse hypocrisie te maken hebben dat dit land niet in staat is met zijn geschiedenis om te gaan. Dat geldt ook voor Amsterdam, toch duidelijk een stad die het meer van haar historie dan van een toekomst moet hebben. Maar ook in Amsterdam is het verleden morsdood, tenzij er geld aan valt te verdienen. Zolang er genoeg toeristen op af komen, worden de grachten niet gedempt. Zolang ze elk jaar meer waard zijn, worden schilderijen in musea opgeslagen of in dure galeries verhandeld. Maar een theatertraditie van meer dan drie eeuwen, daar heeft niemand iets aan. Joost van den Vondel (1587-1679) schreef mooie verzen, maar geldt als een onspeelbare oude zak. In 1968 werd de traditie stopgezet jaarlijks omstreeks Kerstmis zijn treurspel Gysbreght van Aemstel te spelen. Dat had niets te maken met toneelvernieuwing of de actie-Tomaat (die pas een jaar later zou plaatsvinden). De Nederlandse Comedie die toen de Stadsschouwburg bespeelde had gewoon genoeg van elk jaar weer dat verplichte nummer.
Het leek logisch. Waarom een traditie handhaven omwille van de traditie? De voorstellingen van de Gysbreght waren in de loop van de jaren zestig steeds kaler en saaier geworden, bijna op het onverschillige af. En toch, zou een stad niet iets hebben aan een heel klein stukje gezamenlijk literair erfgoed? Ik ben nog als jongetje van twaalf door mijn moeder meegenomen naar de Gysbreght. Ik begreep er niet veel van, maar heb er wel een levenslange liefde voor Vondel en zijn verzen aan overgehouden. In die tijd werden bekende regels te pas en te onpas aangehaald. In sommige families werd jaarlijks een parodie op de Gysbreght opgevoerd. En De Groene Amsterdammer bevatte nog elke week een actueel vers in vondeliaanse stijl van de hand van Evert Werkman.
Nu is dat piezeltje gemeenschappelijkheid al meer dan 25 jaar verdwenen. Niemand leest ooit nog een vers van Vondel, op toneelscholen in Nederland worden zijn stukken uiterst zelden opgevoerd en dan nog meestal in sterk bewerkte vorm. Alleen Hans Croiset heeft geprobeerd een Vondel-lijntje vast te houden, maar zijn Gijsbrecht, in 1988, bij het Nationale Toneel in Den Haag, ademde vooral zijn eigen nostalgie naar Amsterdam.
OOIT HEB IK GEDACHT dat er een nieuwe, interessante confrontatie met Vondel mogelijk was. Dat was in 1975, toen bij het Publiektheater een verwarrende, maar half geslaagde, politiek bedoelde Gijsbrecht van Amstel werd gespeeld, bewerkt en ‘hertaald’ door Guus Rekers en geregisseerd door Rene Lobo. Het ging over droom en werkelijkheid, de Nieuwmarktrellen, de stad die ook toen ten onder ging. Gijsbrecht (Hans Boswinkel) was een goedgelovige sul, Badeloch (Siegrid Koetse) een felle, geemancipeerde vrouw. Ik schreef in een verward artikel over de 'onhistoriese aanpak van een histories stuk’.
Amsterdam kreeg van Vondel een prachtig en op vele manieren vergiftigd cadeau. Een echt Amsterdams treurspel, geschreven in 1637 voor de inwijding van de nieuwe Schouwburg aan de Keizersgracht. Een stuk waarin de geschiedenis van Amsterdam op allerlei manieren wordt gekoppeld aan de klassieke oudheid. Gysbreght is een soort Aeneas, Amsterdam wordt ingenomen door een list die op het Trojaanse Paard lijkt, de stad gaat in vlammen ten onder, om des te fraaier te herrijzen als een soort Rome. Zelfs de aanleiding tot de strijd is net als bij Troje de verkrachting van een vrouw, Gysbreghts nicht Machteld.
Maar Vondel deed meer dan de zeventiende-eeuwse Amsterdammers vleien met een klassieke vergelijking. In zijn Gysbreght speelt hij in sommige opzichten een vreemd spel met zijn tijdgenoten en met ons. Hij droeg zijn stuk uitdrukkelijk op aan Hugo de Groot, die in ballingschap in Frankrijk leefde. Hij ergerde de Amsterdamse dominees door in zijn stuk vele scenes met rooms-katholieke geestelijken op te nemen. Hij zet het glorierende Amsterdam een wel heel droevig stuk van zijn historie voor: hoe de stad aan het begin van de veertiende eeuw met de grond gelijk werd gemaakt vanwege een geschiedenis - de moord op Floris V - waarbij Gysbreght van Aemstel beslist niet zo onschuldig was als hij zich voordeed.
En er is iets in het stuk dat het op een paradoxale manier uiterst modern maakt. Vondel was een diep-religieus mens, hij was ervan overtuigd dat alles wat er gebeurt, hoe ellendig of onrechtvaardig ook, uiteindelijk past in Gods grote plan met de wereld. Intussen laat hij ons een wereld zien waar niemand veilig is: de Amsterdamse burgers worden tijdens de kerstviering overvallen en vermoord, nonnen worden in de kerk overweldigd en verkracht, het godsvertrouwen van de hoofdpersoon wordt keer op keer getart. Vondel was niet zozeer beinvloed door het humanisme van de grote, Griekse tragedieschrijvers, maar door de cynische en uiterst wrede drama’s van Seneca.
Als ik de Gysbreght nu overlees, verwart het stuk me meer dan ooit. De afgrijselijke scenes van strijd, wraak, moord en verkrachting waar het publiek zich eeuwenlang aan heeft vergaapt en waar we dertig jaar geleden enigszins om ginnegapten omdat het allemaal zo ver weg leek, blijken plotseling volstrekt realistische beschrijvingen van wat in Europa en Afrika aan de orde van de dag is. De Kennemers en de Haarlemmers die Amsterdam binnenvallen en verwoesten, komen van even dichtbij als de Bosnische Serviers die Sarajevo beschieten. De moord op de onnozele kinderen die zo plastisch wordt beschreven, is niet meer iets uit verre bijbelse tijden. De God waar Vondel zich op beroept, is verder weg dan ooit, maar dezelfde wreedheden vinden nog altijd plaats, wel en niet in Zijn naam.
Het is geen toeval dat Vondels stuk zo actueel lijkt. Hij schreef zijn Gysbreght terwijl in Duitsland de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) woedde, en die leek in veel opzichten op de strijd in Joegoslavie nu. Misschien wilde hij eenzelfde verbijstering tot uitdrukking brengen als die ons nu bevangt over wat mensen elkaar kunnen aandoen, uit idealen, angst, wraak, hebzucht, wreedheid, krankzinnigheid of doodgewone slechtheid.
DE GYSBREGHT IS allerminst een saai leesstuk, maar zit vol lagen en tegenspraken. Niets is wat het lijkt. Een triomfantelijke overwinning blijkt een smadelijke nederlaag. De schijnbare bondgenoot een snode verrader. Rust en vrede zijn alleen maar voorbode van erger oorlogsgeweld. Opofferingsgezindheid kan misdadig zijn als daardoor anderen worden meegesleept in de dood. Een laffe vlucht betekent misschien de hoogste deugd wanneer er niets meer te winnen valt.
In de jaren zeventig behoorde ik tot de weinigen die zin hadden over Vondel te schrijven. In Toneel Teatraal vond zelfs - naar aanleiding van Hans Croisets regie van Vondels Lucifer - een soort polemiek plaats over het interpreteren van Vondel. In die tijd worstelde ik met de vraag of Vondel 'op een progressieve manier’ kon worden gespeeld, of hij niet te braaf, te ordelievend, te veel anti-opstand, te religieus was. Die vraag is op veel manieren volstrekt absurd geworden. Ik weet niet eens meer of een toneelvoorstelling wel per se progressief moet zijn - het lijkt me genoeg als zij inzicht geeft in mensen en historische gebeurtenissen. Maar braaf lijkt Vondel me al helemaal niet meer en zijn verlangen naar orde en vrede is een politiek programma, dat hij met veel grote toneelschrijvers deelt.
'VONDEL HAD WEL DEGELIJK gelijk’, stond er in maart van dit jaar in alle kranten. Stadsarcheoloog J. M. Baart ontdekte aan de Nieuwezijds Kolk de resten van een stenen bouwwerk dat volgens hem het kasteel van de heren van Aemstel moet zijn geweest. Historici waren gaan aannemen dat dat kasteel in Ouderkerk had gestaan, hoewel oude kaarten 'de gront daar ’t kasteel van Gysbrecht v. Amstel gestaan heeft’ wel degelijk in de buurt van de Nieuwendijk situeren. Overigens had Vondel ook weer niet helemaal gelijk. Hij plaatste het kasteel wel aan het IJ, maar aan de Oostkant van de stad. De vijanden kwamen uit het westen en vielen via de Haarlemmerpoort de stad binnen.
Misschien stimuleert de vondst van de archeologen de belangstelling voor Vondel. In september zal er een fraaie nieuwe uitgave van de Gysbreght van Aemstel verschijnen bij de Amsterdam University Press, ingeleid door Mieke Smits-Veldt, een leerlinge van wijlen professor Hellinga, die in 1956 de theorie lanceerde dat Rembrandts Nachtwacht de beginscene van de Gysbreght uitbeeldde. En er zal zelfs, in het kader van de viering van honderd jaar Stadsschouwburg in december en januari weer een Gijsbreght-opvoering plaatsvinden, zij het in een hedendaagse bewerking van Ellie van Dooren. Het wordt, belooft producent Paul Muller, een eigentijds verhaal in een taal die verstaanbaar is, over mensen van vlees en bloed en over oorlog, verraad, hoop en vooral liefde. Maar eigenlijk is Vondels tekst op zich al zo wanhopig eigentijds.