Ruud Kuijer, Groot H-balkbeeld 21, 2020. IJzer, 69 x 80 x 41,5 cm © Robert Versluys / Courtesy Slewe Gallery, Amsterdam
De kleinere stukken, bijna los, flapperen als vleugels

Het ene beeld, hier links, is een gedrongen groepering van stevige vorm die eruitziet alsof de stukken ijzer tegen elkaar hurken. Ik denk dat Ruud Kuijer die stukken in zijn atelier had liggen om te zien wat ermee gebeuren kon. In dat atelier, waar van alles ligt, is vormgeving impulsief om je heen kijken. De kunstenaar verrast zichzelf met wat hij ziet. Zo was het een toevallige verknoping van stukken ijzer die even toevallig een figuurlijke vorm werd. Zo ging dat denk ik. Ik zag een figuur van roestig ijzer. Eerst, uit gewoonte, bekeek ik die alsof de vorm abstract was. Tegelijk ontkwam ik er niet aan ook iets figuratiefs in de vormgeving te zien. De stukken ijzer, dacht ik, hurkten tegen elkaar, maar voor hetzelfde geld was het ook een warme omarming van roestige stukken. Ze waren abstract gedacht maar werden figuratief. Misschien zag ik dat zo vanwege de roestige huid van het ijzer. Die bruine kleur van ijzer is als bladeren die langzaam verkleuren in de herfst.

Maar eerst stond daar, in het midden, een harde vorm van een recht stuk ijzer; het roestige van het ijzer was zijn tweede kleur. Rechts in het brede middenstuk, van de bovenkant tot aan de staande zijkant, is er een strakke rechte hoek uitgesneden. Hetzelfde gebeurde aan de onderkant van het middenstuk. Daar wijst de hoek, ook recht, schuin naar boven. Tussen de twee hoeken, schuin tegenover elkaar dus, is het midden van het stuk H-balk intact. Het is een stramme passage daar in het midden van de rechthoekige figuur. Het vlakke middenstuk staat op een kale vloer van steen. Het houdt zichzelf overeind en draagt het gewicht van twee rond gebogen ringen van ijzer. Anders gezien, brede stukken pijp. Ze zijn dunner, strak gebogen. Het is alles gewalst ijzer. De expressie daarvan is onverbiddelijk. Hard ijzer komt vanzelf uit bij zulke massieve vormgeving. De sculptuur is vooral een verknoping van stukken gewicht die elkaar, waar het kan, stevig vasthouden. Het stuk H-balk staat, onwrikbaar als een boomstronk, in het midden overeind. Tegelijk, figuurlijk, is het ook de gedrongen vorm van een torso. De rechte hoeken zijn oksels. Daarin hangen en leunen de ronde segmenten die, omdat ze rond zijn, er licht en buigzaam uitzien. Hun uitdrukking is die van stilstaande beweging. Ze liggen mooi licht in hun rechte hoeken van hard ijzer.

Ruud Kuijer, Groot H-balkbeeld 22, 2020. IJzer, 89,5 x 40 x 34 cm © Robert Versluys / Courtesy Slewe Gallery, Amsterdam

In zulke sculpturen ontstaan onvoorspelbare contrasten van vorm. Dan komt beeldende vertelling op gang. Het zijn zulke verschuivingen van volume en gewicht die bijna altijd in beelden de toon aangeven. Dat begon al lang geleden, met bijvoorbeeld de beroemde verbeelding van Laocoön en zijn zonen in gevecht met vervaarlijke zeeslangen. In Troje had de priester Laocoön met klem gewaarschuwd het houten paard niet binnen de poorten van de stad te halen. Poseidon hielp de Grieken en stuurde enorme slangen uit zee om de priester te straffen. Hij en zijn zonen werden op het strand gewurgd. Dat was het verhaal. Het laat-antieke marmeren beeld, gemaakt op Rhodos, was groot en dramatisch. Drie naakte figuren verzetten zich tegen de slangen. Het beeld was een intense verbeelding van dat soort grote bewegingen. Het was in Rome terechtgekomen. In 1506 werd het bij verbouwingen daar in de grond teruggevonden. Het drama van het beeld was een sensatie: vormbeweging, contour, volume, kracht en tegenkracht, alles bij elkaar. Bedenk: dit was ook de tijd van beeldhouwer Michelangelo, de meester van gedraaide gestalten. De Laocoöngroep werd op een binnenplaats in het Vaticaan tentoongesteld. Het werd een voorbeeldig beeld. Tot in de vorige eeuw stonden in kunstscholen gipskopieën opgesteld: zo moeten lichaamsdelen bewegen in een goede sculptuur. Verre herinneringen eraan zijn ook in de ijzeren figuren van Ruud Kuijer blijven hangen. Niets daarvan is erg specifiek. Maar toen ik het hierboven had over bepaalde verknopingen van vorm en gewicht, dacht ook ik aan zekere vormgebaren in de Laocoön. Die werden onvergetelijk in de juistheid van hun expressie. Laat ik zeggen, bijvoorbeeld, hoe een krachtig gespierde arm het gewicht van een torso ophoudt. Zo zijn in de architectuur de nobele zuilen van het Parthenon onvergetelijk. Iets omhoog houden kan niet anders. Intussen is een ander beeld van Kuijer een bijna elegante vormgeving van drie lengtes/breedtes van sierlijk gesneden stukken H-balk. De kleinere stukken, bijna los, flapperen als vleugels. Zo dwingt de kunstenaar materiaal tot expressie. Expressie verandert geleidelijk. De kleinere delen maken ook dansbewegingen als van een danseres. Tegelijk laat ook de ballerina haar hele lichaam wonderbaarlijk meebewegen. Zo slank en lenig bewogen in de Laocoön ook de slangen.

PS: werken van Ruud Kuijer zijn tot in januari, samen met de sculptuur van André Volten, te zien in Voltens voormalige atelier, Asterdwarsweg 10, Amsterdam-Noord