In memoriam

Hélène Nolthenius 1920 — 2000

‘Mijn vrouw werkt heel hard. Te hard’, had haar man me bij binnenkomst al gezegd. Een jaar geleden, rond deze tijd, interviewde ik schrijfster, wetenschapster en emeritus hoogleraar musicologie Hélène Nolthenius voor dit blad over 'haar’ twintigste eeuw. Ze liep een beetje moeilijk, als gevolg van een oude heupbreuk, maar verder was mijn indruk die van een vitale dame die vertelde dat ze móest schrijven, omdat ze zich anders zou vervelen. De lichte bovenwoning bood een overrompelend uitzicht op het Beatrixpark, dat samen met de bloeiende stekjes van de bougainville op de vensterbank het gemis van Italië enigszins moest compenseren. Italië, waar zij en haar man, nadat beiden met emeritaat waren gegaan, gedurende acht jaar woonden. De verpersoonlijking van Nolthenius’ Italië was Franciscus van Assisi, over wie ze de biografische studie Een man uit het dal van Spoleto (1988) schreef. Ook in haar verhalen, gebundeld in De steeneik (1984), komen het Italiaanse landschap en verleden steeds terug, naast de muziek, haar tweede grote hartstocht. Het mooiste verhaal in deze bundel, 'De krekel’, gaat over de zangeres die met Mahlers Das Lied von der Erde haar laatste concert geeft, en die weet dat er na deze avond niets meer zal zijn, omdat ze altijd te ver weg is geweest om zich met bijzaken in te laten. Hélène Nolthenius was te ver weg om zich met bijzaken in te laten, maar ook te lief om niet voor mij haar best te willen doen iets over de twintigste eeuw te zeggen. 'Aartsescapist’ van kinds af aan, zoals ze me vertelde, vertoefde ze het liefst in het Florence van de veertiende eeuw of daarvóór nog. 'Ik vind dit een sómbere tijd om te doorleven’, zei ze en maakte voortdurend wegwuivende gebaren in de richting van mijn cassetterecorder. Of het nu over haar kinderen ging, de invloed van de islam of over haar schrijverschap, vaak was het: 'Zet dat er maar niet in.’ De beelden van vluchtelingen uit Kosovo maakten herinneringen wakker. 'Die hele oorlogstijd doemt weer op. Gruwelijk.’ Pas had ze Voortgeschopt als een steen gepubliceerd, haar roman over Leonidas van Tarente die in de derde eeuw voor Christus een zwerftocht maakte door Italië, Griekenland en Klein-Azië. Voor de goede verstaander schreef ze met dit boek over actuele emigratiestromen en minderwaardigheidsgevoelens van volkeren waaruit grote conflicten voortkomen, 'al heetten de Serviërs in die tijd anders’. Ter ontspanning was ze met een nieuwe 'Lapo’ bezig, de vierde middeleeuwse detectiveroman waarin 'minderbroeder en meesterspeurder’ Lapo Mosca zou optreden, dit keer in het veertiende-eeuwse Amsterdam. We namen afscheid in het trappenhuis, waar ze de lift voor me opriep. Ze vertelde dat ze zichzelf niet meer zo vond passen in deze tijd. Computers, internet, de oprukkende vulgarisering van het taalgebruik – ze probeerde het een beetje langs zich heen te laten gaan. Vrolijk vertelde ze over haar Amsterdamse Lapo. Wie zal ze de moord gepleegd laten hebben? Door het liftraampje zag ik nog één keer haar wuivende hand. 'Wohin ich geh’? Ich geh’, ich wand’re in die Berge. Ich suche Ruhe für mein einsam Herz…’