H.J.A. Hofland 1927 – 2016

De gretigheid waarmee hij in 2002 columns begon te schrijven voor De Groene Amsterdammer tekende Henk Hofland. Hij werd gevraagd door twee jonge redacteuren, die tijdelijk het hoofdredacteurschap vervulden, en hij vond het wel mooi, met die twee jonge honden over ‘het blaadje’ en over de wereld bomen.

Medium commentaar 2025 2016 20hofland los 20copy

Dat ‘blaadje’ las hij overigens van kinds af aan; bij zijn wekelijkse bezoek aan de redactie citeerde hij niet alleen met prachtige oud-Hollandse dictie poëzie van om het even Adama van Scheltema, Slauerhoff, Lucebert en Bertolt Brecht, maar ook versjes uit de ‘kleine krant’, de humorpagina die in een grijs verleden deel uitmaakte van De Groene.

Henk Hofland mocht dan wel in 1999 door collega-journalisten zijn uitgeroepen tot ‘journalist van de eeuw’, en later de prestigieuze P.C. Hooftprijs winnen voor zijn essayistiek, hij was zelf ook altijd een jongen gebleven. Dat bleek niet alleen uit zijn voorliefde voor knutselen, voor de bootjes, karretjes en wonderbaarlijke machines met tot de verbeelding sprekende namen als Gigarammel en de Turbokar die hij ook als gelauwerd schrijver nog in elkaar bleef zetten. Hij bleef iets houden van een straatjutter: een jongen die altijd ook naar de grond kijkt om gevonden schroefjes, stukjes ijzer en staaldraad in zijn zak te stoppen – je wist nooit wat je daar nog mee kon. (Ik herinner me nog hoe hij als een kind zo blij was dat ik hem een leeg luciferdoosje gaf waarin hij een glimmende dode vlieg intact mee naar huis kon nemen). Het jongensachtige uitte zich ook in de breedte van zijn belangstelling, die zowel het hoogst serieuze – internationale betrekkingen – als het triviale – de liefde voor de sigaret, een lofzang op de tram – golden. En in zijn afkeer van deftig doen, van als ijverige volwassene keurig in de pas lopen met het establishment. Hij was een buitenstaander, een werkelijk freischwebende Intelligenz.

Hij was, vertelde hij zelf ook altijd, gevormd door de oorlog. Als Rotterdamse jongen maakte hij het bombardement op de havenstad mee en groeide op tussen de puinhopen. Zoals hij het ooit in een interview zei: ‘Als je je puberteit in de oorlog hebt meegemaakt, heb je principieel een andere opvoeding dan wanneer je ouder was of jonger. Ga maar na wat het met je doet als je tussen je twaalfde en je zeventiende de hele maatschappij uit mekaar ziet vallen, met als apotheose de Hongerwinter, als het werkelijk chaos is. En dan getuige ervan te zijn dat de oudere generatie de restauratie probeert te vestigen; dat gaat er niet meer in. We lieten ons niet langer belazeren.’

De oorlog had hem vrijgevochten gemaakt. Hij had niet alleen het vertrouwen in de oudere generatie verloren, hij had als jongen in de oorlogsjaren ook de vrijheid geproefd. Hij kon er tot op het laatst smakelijk over vertellen: de tochten met zijn vrienden door het bezette Rotterdam, het struinen door leegstaande huizen – geen volwassene die op je lette. Die hang naar vrijheid, de behoefte aan lucht, zoals Chris van der Heijden het noemt in zijn stuk over Hoflands magnum opus Tegels lichten dat verderop in dit nummer staat, tekende de manier waarop hij in het leven stond. Hij hekelde de aanpassingsdrang van Nederland in de jaren vijftig, en ook daarna, want ondanks Provo en de jaren zestig ging alles hier gewoon door, en was er altijd het slaapverwekkende establishment met, zoals hij het in Tegels lichten formuleerde, zijn ‘partisanen, zeloten, voorzitters en verdere ijveraars voor allerhande etiquettes’.

De vrijheid zocht Hofland als journalist – hij was in 1953 redacteur van het Algemeen Handelsblad geworden – in zijn artikelen en reportages. Hij maakte in zijn Volkswagen verschillende reizen door het Oostblok, was in Boedapest toen de sovjettroepen in 1956 de uitgebroken volksopstand kwamen neerslaan. De vrijheid zocht hij ook in de literaire vormen die hij ging beoefenen: essays, waarvan hij er vele in boekvorm bundelde, de overpeinzingen van S. Montag, en in romans als De alibicentrale (1990) en Cicero Consultants (2007). En de vrijheid kreeg hij onvermoed toen hij in 1970, na de fusie tussen NRC en het Algemeen Handelsblad, het veld moest ruimen als hoofdredacteur. Het bezorgde hem, zoals hij het zelf noemde, een ‘nieuw leven’, waarin het schrijven van columns, commentaren en essays de boventoon voerde.

Dat is de Hofland die de laatste decennia meerdere keren per week in NRC Handelsblad en, later, De Groene Amsterdammer present was. Hij was, zoals Joost de Vries over hem schreef, ‘de welingelichte columnist, waarin twee harten kloppen’. Het hart van de klassieke commentator, die de wereld overziet en een analyse geeft. Het andere was van de ongebonden ziel, die net zo makkelijk over de Nieuwezijds Voorburgwal als door Central Park zwierf en met een scherp oog de kleine, dagelijkse dingen observeerde – ‘het plankton van de geschiedenis’ in de woorden van Geert Mak. In beide gedaanten was er altijd zijn heldere, beeldende stijl, die, zonder dat hij zich ooit aan mooischrijverij bezondigde, de echo van zijn literaire helden Menno ter Braak, W.F. Hermans en Louis-Ferdinand Céline liet zien.

Wekelijks maakte Henk Hofland op maandagochtend zijn ronde – tot het hem te vermoeiend werd. Met zijn favoriete vervoersmiddel de tram ging hij langs zijn uitgeverij De Bezige Bij, langs de redactie van NRC Handelsblad en langs ons. Om te bespreken waar zijn ‘stukkie’ over moest gaan. Dat liet hij zich overigens niet echt voorschrijven, meestal maakte hij meteen ‘an offer you can’t refuse’. Hij kwam vooral om de jongens en meisjes gedag te zeggen, samen een sigaretje te roken, verhalen te vertellen; soms zong hij dan opeens een serenade, half grappend, maar altijd tekstvast.

Als hij voor langere tijd naar het buitenland ging – naar New York, naar het Chelsea Hotel, waar hij een vaste kamer had, of naar Griekenland – waarschuwde hij van tevoren. ‘Maar de winkel blijft open’, zei hij er meteen bij. Dat de winkel nu voor altijd gesloten is, doet ons groot verdriet.