H.J.A. Hofland, courantier

Op 5 februari krijgt de publicist H. J. A. Hofland de Gouden Ganzeveer achter het oor gestoken. Een levend monument in de vaderlandse journalistiek. Met hier en daar een scheur. Maar waar komt toch die agressiviteit vandaan?

Soms, vroeger, in cafes trof ik hem aan. Maar een discours heb ik nooit opgedrongen. Integendeel, wij gaven onomwonden elkaar het een of ander te verstaan. Toch, wonderlijkerwijs, wanneer spontaan de stad hem ophoest uit haar grijze longen, voel ik de adem van een nooit bedongen verbond etherisch door de avond gaan. Zou ik hem noden bij bodega Keyzer? Kies ik een hoge Cote de Beaune, en treffen Wij hoofs de juiste toon - ouder en wijzer - wellicht dat wij ons dadelijk verheffen boven oud zeer van hanige tweedracht. Fraterniserend ruist de goede nacht. (Martin Veltman, ‘De Zaken en de Dood’) Het autobiografische credo van H. J. A. Hofland valt sinds jaar en dag te raadplegen in de archieven van NRC Handelsblad. Het luidt: 'Wenst geen biografische gegevens te verstrekken.’

Inmiddels heeft hij in een enkel fragment toch een paar historische kleinigheden prijsgegeven. Mondjesmaat. In 1927 te Roterdam geboren. Een keurige familie in crisistijd. Een nieuwsgierig, onrustig, weinig aangepast jongetje. 'Ik beschouw mezelf nog altijd als sociaal onvaardig, al weet ik het goed verborgen te houden.’ Vlak na de oorlog studie op Nijenrode. In 1948 in militaire dienst. Sinds 1953 in dienst van het Algemeen Handelsblad.
Vooral over die eerste naoorlogse jaren is Hofland nooit spraakzaam geweest. In tegenstelling tot zijn makker en studiegenoot Willem Oltmans in het eerste deel (1985) van zijn memoires, grotendeels bestaand uit brieven en dagboekfragmenten.
Het is vermakelijke lectuur die ons af en toe ook iets over de latere Hofland leert:
Oltmans, september 1946, over zijn kennismaking met zijn jeugdvriend Henk: 'Toen ik deze middag wat onwennig tussen alle jongens stond rond te kijken, zag ik hoe een jongen door een chauffeur werd gebracht. Hij maakte een prettig indruk op me. Het was Henk Hofland uit Rotterdam.’
Hofland, ongeveer te zelfder tijd, over de kennismaking met zijn jeugdvriend Wim: 'Ik daalde af naar het stenen stoepje in de tuin, ging naast de nette kerel zitten en bemerkte dat hij, behalve een “nette kerel”, ook een zeker reactionair politiek geestverwantschap met mij vertoonde.’
Brief van moeder Hofland, september 1947: 'Je moet, Henk, als iemand je eens nodig heeft, ook eens klaar staan. Probeer het eens. Het doet jezelf ook goed als je niet altijd alleen voor jezelf leeft.’
Brief van Hofland, september 1948, vanuit de Korte Heyligers Kazerne in Bergen op Zoom: 'Mijn algemene stemming is er een van walging over alle zakken die hier rondlopen en over de sfeer van uiterste domheid.’
Brief van Hofland, november 1948, waarin hij vertelt lid te zijn geworden van de communistenbond Spartacus: 'De hele zaak is volstrekt niet populair, uiterst links en op het anarchistische af, zodat ik voorlopig tamelijk geestdriftig ben.’
Brief van Hofland, december 1949, na verschijning van deel I van de verzamelde Ter Braak: 'Wim, het is zo heerlijk nieuwe dingen van hem te lezen. Ik heb zonder de minste overdrijving bijna steeds het gevoel met een hele goede vriend te zitten praten.’
Brief van Hofland, mei 1953, nadat hij door het liberale Algemeen Handelsblad in dienst is genomen: 'Beste Wim, het Handelsblad is dragelijk. Het werk is niet zo interessant, maar de mensen zijn wel aardig.’
Was het nog maar vijf jaar geleden dat zij, Henk en Wim, onbezorgd en vol plannen, door de tuin van Nijenrode wandelden? 'Wim’, had Henk Hofland gezegd, 'ik kan mij niet voorstellen voor mijn dood herrie met je te krijgen. Wij blijven altijd vrienden.’
DE VRIENDSCHAP ZOU in de loop der jaren niettemin zwaar op de proef worden gesteld.

Ook Oltmans kreeg even later een functie op de redactie van de Amsterdamse krant. Niet voor lang. Hij ontwikkelde zich al gauw tot de merkwaardige soort prive-diplomaat die hij tot op heden gebleven is, conspiratief cirkelend rond Soekarno, Bouterse, Arbatov en De Klerk, Jozef Luns en Lee Harvey Oswald. Hofland gaf de voorkeur aan een carriere binnen de muren van het Algemeen Handelsblad. Op de buitenlandredactie werd hij geschoold in het wereldgebeuren. Ook leidde hij enige tijd het zaterdagse Supplement. Toen werd hij adjunct-hoofdredacteur. Uiteindelijk werd hij, op veertigjarige leeftijd, de jongste hoofdredacteur van Nederland. 'I am/ indeed/ a coming man!’
Hofland, de lone wolf van de Nieuwezijds, als bestuurder? Dat riep, binnen en buiten het journalistencafe, twijfels op. Hij wist, toen hij het Supplement beheerde, een jong talent in krantenland, de columniste Renate Rubinstein, de overstap van Vrij Nederland naar het Algemeen Handelsblad te laten maken. Daar heeft hij flink spijt van gekregen. Renate Rubinstein leed reeds in die tijd aan een ongeneeslijke tegendraadsheid die hem, haar chef, onmiddellijk in de problemen bracht. Toen op een plechtige bijeenkomst Leo Vromans gedicht 'Vrede’ exclusief de hardgrondige verzuchting 'godverdomme’ ten gehore werd gebracht, sloeg Renate Rubinstein het dunhuidige Handelsbladpubliek niet een, niet twee, maar drie maal met de gewraakte godslastering om de oren. Hofland probeerde vertwijfeld zijn nieuwe medewerkster tot een gematigder toon te bewegen. Dat was natuurlijk aan dovevrouwsoren gesproken.

Aarzelend en schipperend stond hij inmiddels vrijwel elke week in de kolommen van zijn eigen krant te kijk. Bijvoorbeeld in Rubinsteins column aan de vooravond van Pasen, die aldus werd besloten: 'De redacteur van dit Supplement, die langzamerhand de hoofdpersoon in mijn stukjes dreigt te worden, heeft mij uitdrukkelijk verzocht in dit nummer Pasen, de paasgedachte, paashaas of paaseieren te berde te brengen. Dat doe ik dus bij deze. Dag hoor.’
Zij keerde al snel naar Vrij Nederland terug.

NU HAD HOFLAND een verre van gemakkelijke positie: een staffunctie op een krant met een vrij vooruitstrevende redactie die helaas een diep-reactionair lezersbestand te vriend moest houden, grotendeels bestaande uit rancuneuze, VVD-achtige couponknippers, standplaats Bentveld of Blaricum. Hofland had zich tussen de bedrijven door ontwikkeld tot een specialist in het journalistieke essay. Dat is, kortweg gedefinieerd, een essay dat, in tegenstelling tot andere essays, tamelijk leesbaar is. Zijn artikelen verschenen in Podium, Vrij Nederland, Randstad en Tirade, niet in zijn eigen Algemeen Handelsblad, waarvan het lezersbestand per definitie niet van denken was gediend. Zijn - tot op heden - beroemdste stuk was in feite tegen zijn eigen lezers gericht. Het analyseerde aan de hand van de affaires-Schokking (een foute burgemeester) en -Hofmans (een koninklijk goedgekeurde gebedsgeneester) de terreur van de OA, de Onverdraagzaamste Abonnee, 'onze nationale Iwan de Verschrikkelijke, een mannetje dat met een maagzweer op een ongelucht bovenhuis met pen en papier gereed zit om zijn abonnement op te zeggen’. De schrijver leverde dit opstel in november 1956 in bij Vrij Nederland, waar men lang over plaatsing aarzelde, totdat het uiteindelijk, een klein jaar later, zijn weg naar de kiosken vond. De Onverdraagzaamste Abonnee had een gevoelig tikje op zijn vingers gekregen. Het Bestel vertoonde zijn eerste barsten en de sloop van die andere OA, de Onaantastbare Autoriteit zou in de jaren zestig energiek worden voortgezet.

HOFLAND WAS in de late jaren zestig, als hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad, met prijzenswaardige bezetenheid bezig 'de heldere krant’, 'de krant van het midden’ te maken, het enig juiste alternatief voor al dat suffe, corrupte, partijdige drukwerk dat elders in de Amsterdamse Fleetstreet op de markt werd gebracht. 'Ik doe met mijn krant wat ik wil en ik mag met mijn krant doen wat ik wil’, zei hij. 'Goed, ik kan er geen PvdA-krant van maken, waar ik trouwens geen zin in heb, want ik vind het een lullige partij. Maar ik kan mij veroorloven een integraal verslag te brengen van al het nieuws dat mij onder ogen komt, hoe onwelkom aan welke werkgever dan ook.’ Helaas, de lezers van het Algemeen Handelsblad wilden helemaal geen heldere krant, laat staan een krant van het midden, en liepen bij duizenden weg. Het Algemeen Handelsblad fuseerde noodgedwongen met de al even zieltogende Nieuwe Rotterdamse Courant, waarvan Hofland nog even medehoofdredacteur is geweest, totdat hij betrokken raakte bij een melodrama waarin wijven, paparazzi, Russische diplomaten en zijn oude vriend Willem Oltmans een rol hebben gespeeld.
Exit hoofdredacteur H. J. A. Hofland. Hij verzamelde zijn getrouwen om zich heen in het journalistencafe.
'Het is uit’, zei hij.
De concernbureaucraten hadden hem zijn liefste speelgoed afgepakt. Dus bediende hij zich van het speelgoed van zijn zoontje, in het weekeinde, als hij de hond had uitgelaten. Dan pakte hij de stempeldoos en stempelde melancholiek op een blanco stuk papier: 'H. J. A. Hofland - Hoofdredacteur Algemeen Handelsblad.’
Men had hem, na zijn val, genadiglijk de televisierubriek gegund. Het waren de zwartste dagen van zijn leven. Toen hij de schrik en vernedering enigszins te boven was, besloot hij te bewijzen meer ruggegraat te hebben dan menigeen had verondersteld. Hij nam er nog een paar columns bij en schreef tussen de bedrijven door zijn klassieker Tegels Lichten, of: Ware Verhalen over de Autoriteiten in het Land van de Voldongen Feiten (1972). Het was een - tussen haakjes uitstekend verkopende - proeve van intellectuele revanche op al die nietsnutten die hem van zijn hoofdredactionele zetel hadden verdreven.
'Wraak is een gerecht dat koud gegeten wordt’, sprak H. J. A. Hofland fijntjes.
Hij besloot van de status van lone wolf zijn handelsmerk te maken. Tenslotte had hij talent, energie en reputatie genoeg om in het vervolg gewoon zijn eigen gang te gaan. Zo heeft Hofland sedertdien zijn leven op een verstandige wijze ingericht, reizend en trekkend, stukken en stukjes schrijvend, die over het algemeen veel geprezen worden. Inmiddels behoorde hij bovendien onlosmakelijk tot het stadsbeeld van Amsterdam, op onvoorspelbare tijden het cafe binnenschuifelend en daar gedurende enige tijd de conversatie dominerend, om uiteindelijk op een onverwacht moment weer zijn jas aan te trekken, op weg naar onbestemde doelen. Ooit was hij de Koning van de Nieuwezijds, nu evolueerde hij tot koning- in-ballingschap, ver van het gehate hoofdkwartier in Rotterdam, hofhoudend in cafe Welling, waar hij door zijn hovelingen naar de ogen werd gekeken.
Hij is vanzelfsprekend een intrigerende persoonlijkheid, met karaktertrekken die niet zo gemakkelijk te doorgronden zijn. Zo noemde Carel Peeters hem eens een 'militante optimist’ respectievelijk een 'belligerente melancholicus’. Het bewijst voornamelijk dat Peeters geen specialist in de H. J. A. Hoflandkunde is. In werkelijkheid is Hofland een uitgesproken pessimist en militant respectievelijk belligerent is hij al jaren niet meer, zo hij dit ooit echt is geweest. Hij is veel eerder een in zichzelf gekeerde somberaar. Sinds jaar en dag. 'Ik ben negatief op de manier van mijn kat, die een maagkwaal heeft en die geen enkele andere kat in haar omgeving duldt.’ (Podium, december 1966).

TUSSEN ZIJN REGELS door schemert een merkwaardig, moeilijk te verklaren soort agressiviteit. In dezelfde Podiumbijdrage, dertig jaar geleden, stelt hij zich met een waterpistool op bij de ingang van de Grote Club en vuurt 'op het kruis van degenen die binnengaan’. Noem het maatschappijkritiek. De toenmalige societeit was in die tijd de broedplaats van de autoriteit bij uitstek: de hoofdstedelijke bourgeois. Zes jaar later verving Hofland, in metaforische zin, het waterpistool voor een revolver. 'Dit alles niet om bij een eventuele aanval op mijn bezittingen strijdend ten onder te gaan, maar alleen om het gevoel te verzachten dat ik volkomen weerloos in een roofdierenpark rondliep.’ Inmiddels zijn waterpistool en revolver door niet minder dan een machinegeweer opgevolgd teneinde de diverse 'smeerlapperijen’ te wreken. 'Vroeg of laat komen de daders in het vizier… en dan begint dat ding te ratelen dat het een lieve lust is.’
Maar op wie vuurt Hofland eigenlijk, de man die in de publicitaire praktijk eerder geneigd is zijn licht onder de korenmaat te steken? Op een enkel trapje na, bijvoorbeeld in de richting van de 'stiekemerd’ Michael Zeeman, een kwalificatie die trouwens dateert uit de tijd dat Zeeman nog niet tot chef-kunst van de Volkskrant was geavanceerd.
Ja, Hofland heeft een authentiek bete noire. Dat is Bart Tromp, hoogleraar, PvdA-ideoloog en Parool-columnist. Inhoudelijk is het conflict niet bijster interessant, uiterlijk zegt het conflict veel over Hoflands extreme lichtgeraaktheid en over de wijze waarop onmiddellijk de diverse pluimstrijkers zich om hem heen groeperen op het moment dat iemand oppert dat ook Hofland niet altijd de wijsheid in pacht heeft.

De veenbrand brak uit toen Tromp in Het Parool een kritische recensie over Hoflands bundel Orde bestaat niet (1986) schreef. Daarin doet Hofland onder meer verslag van een bezoek aan het massagraf Babi Yar, bij Kiev. Tromp was verbaasd over het feit dat de zo belezen reiziger blijkbaar niet wist dat het voornamelijk Russische joden waren die hier zijn vermoord en trok uit deze omissie de conclusie dat Hofland het beroemde gedicht van Jevtoesjenko noch Sjostakovitsj’ Dertiende Symfonie kent. Schuimende woede van gene zijde. Ooit was Tromp 'iemand die in de rangorde der vrienden ergens in de subtop zat’. Nu werd hij door Hofland, corresponderend met Jean-Paul Franssen, gedegradeerd tot een rat en dus 'op de zwarte lijst gezet’.
Het conflict escaleerde na de publikatie van Hoflands reisreportage over het socialistische Cuba. Tromp sprak (in Maatstaf) over 'precieuze schoonschrijverij’, veel 'mijmeringen en gevoelens’ en een andermaal vrijmoedige omgang met de feiten. Prachtig, die overpeinzingen in Hemingsways Cubaanse villa Finea Virgia. Jammer dat de auteur zich, anders dan Hofland meende, niet nabij Havanna, maar in Ketchum (Idaho) voor zijn kop heeft geschoten. Het was, zei Tromp, vergelijkbaar met Hoflands eerder begane blunder te Babi Yar. In een poging tot weerwoord bewees Hofland voornamelijk andermaal geen ongelijk te kunnen incasseren. Hij sprak met loodzwaar sarcasme over 'Prof. Columnist Voorzitter Lid Bart Tromp’ en noemde hem dit keer een jakhals, een krokodil, een lasteraar, een leugenaar en een baantjesjager. De naam Hemingway komt in Hoflands weerwoord niet voor en wat Babi Yar betreft… 'Ik had er mijn reden voor het zo op te schrijven als ik in eerste aanleg had gedaan.’ Het was allemaal niet erg sterk, beter gezegd, het oogde voornamelijk machteloos en lichtgeraakt.
Ondertussen zagen de pluimstrijkers met afgrijzen hoe iemand het waagde zijn smerige vingers aan de 'onhaalbare standaard in de journalistiek’ af te vegen. Een der opperpluimstrijkers bracht een soort samenvatting van de discussie naar HP/De Tijd. Tromp werd 'de schoonheidsprijs’ onthouden. Hoflands reportage was daarentegen 'allesbehalve clichematig’. Blijft het feit dat er bij Babi Yar joden zijn doodgeschoten en dat Hemingway zich niet nabij Havanna, maar te Idaho een kogel door zijn hoofd heeft gejaagd. Tja. 'Tromp raakt hier een gevoelig punt’, erkent de compilator met stroeve mond. 'Hofland vertrouwt liever op zijn geheugen dan dat hij in de archieven afdaalt, ook al omdat hij ervan uitgaat dat de gemiddelde lezer nog slechter gedocumenteerd is. Hofland redt zich in eerste en laatste instantie altijd door zijn stijl.’
Hofland kan zijn beschermer dus onmogelijk erg dankbaar zijn geweest. Eigen schuld, dan had hij zich maar niet de beate bewondering moeten laten aanleunen van die twijfelachtige elementen die hij in het cafe toestaat zijn jenever te betalen.

ER IS IETS hybridisch in zijn gedrag. Hofland gewaagt enerzijds van 'dit kutland’ waarin hij noodgedwongen 'tweehonderd kutstukjes per jaar’ bij elkaar schrijft. Afgezien van het feit dat Nederland geen kutland is en Hofland zelden kutstukjes schrijft, wat heeft hij te klagen? Hij kan doen en laten wat hij wil en het moment dat hij weer eens ostentatief walgt 'van de brutale, stompzinnig agressie die in Nederland de maat van het dagelijks leven bepaalt’ vliegt hij op kosten van zijn krant naar Manhattan om daar lekker op locatie de New York Times te gaan lezen.
De wereld is zijn werkterrein, de Amsterdamse binnenstad is zijn thuishaven waarin hij alles en iedereen kent. 'Dat is een handicap van de hele Nederlandse journalistiek, en zeker van de Amsterdamse’, zegt hij. Hij is zelf een prominent slachtoffer van dit verschijnsel. Veel van het geschamper op de hoofdstedelijke grachtengordel is kortzichtig, naar mijn mening, want daar wonen, hoe dan ook, de interessantste en meest creatieve mensen van Nederland. Niettemin, het is een feit dat zij allemaal bij elkaar over de vloer komen, met alle inteeltverschijnselen van dien. Dat heeft tot gevolg dat een man als H. J. A. Hofland niet functioneert als het geweten van de vaderlandse journalistiek, het geweten dat hij feitelijk zou moeten zijn. Het is niet alleen een kwestie van een zeker gebrek aan strijdbaarheid zijnerzijds, het is ook het besef dat je, geweten zijnde, zeker weet dat je de man waarvoor je op donderdag een 'proces-verbaal’ (een typische Hoflandterm) hebt uitgeschreven, op vrijdag tegenkomt op de societeit Arti et Amicitiae. Daar moet je tegen kunnen. Hofland kan dat niet. Daarom houdt hij zich altijd in de coulissen schuil als journalistiek en/of boekenschrijvend Nederland weer eens door een affaire of affairetje wordt geteisterd. De campagne van Hugo Brandt Corstius, bijvoorbeeld, tegen het antisemitische weekblad De Groene Amsterdammer. Het vertrek van Hoflands collega-columnist J. J. A. van Doorn bij NRC Handelsblad omdat hij zich aan 'onbetamelijke’ bijdragen had bezondigd. Onbetamelijk! Het is de term waarvan de autoriteiten zich tijdens de Greet Hofmans-zaak bedienden. De zaak-Van Dis, waarin Hofland zich niet tegen de plagiator maar tegen de 'plagiaatjager’ keerde, een brave journalist die, inclusief hoor en wederhoor, gewoon zijn werk had gedaan. De sprekende bomen van Irene, in Vrij Nederland bemest en bewaterd. De anonieme brieven waaraan hetzelfde Vrij Nederland bijna ten onder is gegaan. Op dit soort momenten kiest Hofland instinctmatig voor de Welingelichte Kringen of voor de man die zijn declaraties tekent.
MAAR SOMS KAN zelfs H. J. A. Hofland niet langer zwijgen. Bijvoorbeeld toen eind 1988 een fusie dreigde tussen de Perscombinatie en de Nederlandse Dagbladunie, waardoor de belangrijkste Nederlandse dagbladen onder een dak dreigden te geraken. Daar zagen de meeste hierbij betrokken journalisten (toen nog) weinig in. Onzekerheid op de diverse redacties. Tot Hofland Sprak. Het artikel stond op de voorpagina van het Zaterdags Bijvoegsel, het was uitgevoerd in alarmerend rose en droeg de ondubbelzinnige kop: 'Er wordt met ons gesold.’
Er ging een zucht van verlichting door krantenmakend Nederland. Hofland Had Gesproken. Bij herlezing blijkt het geschrevene echter even rose als het krantenpapier waarop het was afgedrukt. De formuleringen zijn van elastiek en er wordt een hoofse reverence gemaakt in de richting van de directies, die immers 'te goeder trouw zijn en verder met de beste voornemens bezield’. De slotvraag ('Wat te doen?’) wordt tenslotte op een weinig opwindende wijze beantwoord: 'Kies tussen argumenteren en decreteren.’
Willem Oltmans heeft het al vaker verzucht: Hofland heeft 'in veertig jaar journalistiek bedrijven niet een keer werkelijk zijn nek uitgestoken’.
Hoho! Heeft Hofland zich indertijd niet in geharnaste bewoordingen voor een boycot van het wereldkampioenschap voetbal in Argentinie uitgesproken?
Allicht, aan voetbal heeft hij altijd een uitgesproken hekel gehad.

ZIJN PERIODEN van groei en bloei vallen samen met zijn persoonlijke crises, waarin hij altijd weer wenst te bewijzen de eerste en de beste te zijn. Dan is hij opeens in grote vorm. Het gold voor zijn poging het Algemeen Handelsblad te reanimeren, het gold voor die bittere periode toen hij als medehoofdredacteur van NRC Handelsblad moest terugtreden, het gold voor het gevecht dat hij met drank & tabak heeft moeten voeren, en het gold voor de momenten dat creatieve stilstand dreigde, een verschijnsel waarmee elk scheppend mens een paar keer in zijn leven wordt geconfronteerd. Op het breukpunt van de jaren zeventig en tachtig was het weer eens zover. 'Mijn superieuren waren te beleefd om het me duidelijk te laten merken, maar konden bij het lezen van mijn krantestukjes een geeuw niet onderdrukken.’ Dus verhuisde hij tijdelijk naar de Verenigde Staten om de zeden en gewoonten der Amerikanen te bestuderen. Andermaal verrees hij als een fenix uit zijn as, gebiologeerd door een open natie, die het gehate woord consensus niet leek te kennen, verrukt door die alle feiten bevattende kranten die op zaterdag wel twee kilo wegen. Het leidde tot een serie beschouwingen en reportages van de hoogste kwaliteit.
'Nou nou, ik kan er wat van’, zoals hij pleegt te zeggen.

Ooit is hij zo onverstandig geweest te beweren dat de schrijvende generatie na hem in feite uit louter onbelezen dilettanten bestaat. 'Ze hebben niets meegemaakt. Ze weten van niks.’
De straf zal zijn dat deze onzin straks in elk In Memoriam zal worden geciteerd, ten bewijze van het feit dat de overledene helaas af en toe ook aanvallen van caesareische grootheidswaan heeft gehad.
Maar hij kan er wat van. Zijn verhandeling over drank & tabak behoort tot het beste uit zijn oeuvre. Het is een - eindelijk - geengageerde analyse van de onmogelijkheid om het leven zonder de vertroosting van genotsmiddelen het hoofd te bieden. In abstinentie, betoogt Hofland, is de creatieve mens tot de ondergang gedoemd. 'De vrouw die hij wil betoveren, het meesterwerk dat hij wil schrijven, het ongeluk dat hij de baas moet worden, het gevecht dat hij tot een einde moet brengen, de allerdaagsheid die hij moet verdragen, de dood die hij moet erkennen, alles waaraan niet valt te ontsnappen - het is te veel voor een mens alleen.’ Men beluistert de echo van Freuds beroemde opstel over de onbewoonbaarheid van de wereld die de steun van een hoopgevende God niet ontberen kan. Hoflands essay is zonder meer van gelijkwaardige kwaliteit, briljant geschreven, excellent doordacht en de Blauwe Knoop noch de zeloten van de antitabakslobby zijn er tot op heden in geslaagd hem op een intellectueel gelijkwaardige wijze van repliek te dienen.
ZIJN ZATERDAGSE Montag-overpeinzingen zijn mij persoonlijk over het algemeen te subtiel, met die filosofieen over de fenomenologische aspecten van het voordringen in bakkerijen hetzij slagerswinkels. Ik geef de voorkeur aan de schrijver die de lezer ertoe tracht te brengen over de grenzen heen te kijken. Typisch Hofland: 'Dat Europa, althans zijn “politieke klasse”, 200.000 Europeanen heeft laten vermoorden zonder een hand uit te steken en toch in staat is te huilen bij “Schindlers List” en plechtig de Invasie te herdenken, is al een drama van de opperste schijnheiligheid.’
De buitenlandse politiek is vanouds zijn specialiteit. Het probleem is dat de meeste lezers, ook die van NRC Handelsblad, zich daarvoor niet zo erg interesseren. Hofland voorspelde eerder dan alle deskundigen ('Praat me niet van deskundigen!’) de crisis in het Oostblok. Niemand, behalve de collega’s van zijn buitenlandredactie, heeft het gemerkt. 'Maar zodra ik begin over de alomtegenwoordige drol op de stoep, of fanmail en vervloekingen stromen binnen.’
Zonde, eigenlijk, dat Hofland zich inmiddels zo'n globale visie heeft aangemeten, in combinatie met een demonstratief dedain jegens de Nederlandse samenleving. Van de Haagse politiek, die hij jarenlang heeft becommentarieerd, wil hij niets meer weten. Het is ongetwijfeld waar dat het Binnenhof in merendeel door tamelijk naargeestige types wordt gedomineerd. Is dat echter een solvabele reden om je daar met dichtgeknepen neus van af te wenden? Het is immers jouw regering en jouw parlement en jouw poging tot democratie, het betreft de uitvoerende organen die jouw problemen en die van jouw bovenbuurman horen op te lossen - en in Den Haag liggen nog steeds de tegels te wachten om andermaal te worden gelicht.

NIETTEMIN ZAL Tegels Lichten, deel II er nooit komen, hoe vaak H. J. A. Hofland het ook heeft beloofd. Is dat niet jammer? Het leven op Brooklyn is ongetwijfeld meeslepender dan dat tussen Korte en Lange Poten. Niettemin, Hofland was daar, in zijn tijd, in heel goede vorm. Ik gedenk zijn activiteiten in die jaren met heimwee. Het was de tijd dat de vaderlandse politiek nog werd gedomineerd door Dries van Agt, een barok formulerende obscurantist, en Joop den Uyl, een drammer die politieke principes had. Drammen. Hoeveel gif zit er in deze zeven lettertekens verscholen? Het is, constateerde Hofland, 'een boosaardig woord voor politiek bedrijven’. Daar zag Van Agt in feite niets in, anders dan 'Ome Joop’, de 'doctorandus uit Buitenveldert’ (dixit Van Agt). Het klonk allemaal hoogst goedmoedig terwijl het in werkelijkheid beoogde de politieke tegenstander moreel te liquideren. 'Wat is in Nederland een doctorandus?’ schreef Hofland. 'Een betweter, een eigenwijs heerschapje dat, gespeend van praktische kennis, met zijn onbruikbare geleerdheid de wereld probeert te regeren. Een kwiebus. Dat zo'n man in Buitenveldert durft te wonen, maakt het allemaal nog veel bedenkelijker. “Ome Joop” suggereert daarbij dat het hier eigenlijk om een ouwe sukkel gaat.’ Zo voltrok zich 'de sloop van Joop’, onder zwijgend toezicht van een wachtkamer vol kroonprinsen, die allemaal wachtten op het moment dat zij hun snavel in het kadaver konden zetten. Hofland, zelf bepaald geen socialist, was de enige die zei dat het een schande was, in bewoordingen die drs. Bart Tromp hem niet had kunnen verbeteren.

In Hoflands latere geschriften beluistert men waarachtig een soort heimwee naar 'de staat van Drees’, die weliswaar onder bolle autoriteiten zuchtte, maar die in elk geval vrij veilig en vrij sociaal is geweest. Als Hofland zich tegenwoordig met de Nederlandse samenleving bemoeit, geschiedt dit op straatniveau, gevoed - terecht gevoed - door burgermansirritaties over de afbouw van het voormalige model Nederland, met zijn zwartrijders, potenrammers, talkshowmasters, snuffelaars, karategespuis en andere vormen van grote en kleine criminaliteit. Wat heet kleine criminaliteit? Is het niet regelrecht onverdraaglijk, zegt Hofland, als een onbekende derriere op jouw zadel zit? Kleine criminaliteit! 'Het is de alzijdigste onderlinge invasie van elkaars persoonlijk gebied; het is de grootste schending van privacy en algemeen belang uit de vaderlandse geschiedenis. Het zijn de zeden en gewoonten van de kleptocratie.’

IN ZIJN GEVECHT tegen de vergankelijkheid heeft hij inmiddels ook een half dozijn romans geschreven. Zij zijn niet zo geniaal als de grachtengordel ons wil doen geloven, maar zij zijn absoluut bovenmiddelmatig, het zijn waardige en lezenswaardige documenten voor de eindsprint die Hofland inmiddels heeft ingezet. Opvallend veel behandelen zij het thema wraak. De schrijver wenst trouwens inmiddels niet zozeer een journalist als een kunstenaar te worden genoemd, een onderwerp waarover hij met zijn vriend Jean-Paul Franssen een alcohol- doordesemde ruzie heeft gehad. 'En vervuld van wraaklust ben ik in de tram gestapt.’ Franssen heeft gelijk. Waarom zou men, de Gouden Ganzeveer achter het oor, opeens een kunstenaar willen zijn? Kunstenaars zijn er genoeg. Dat is grappig volk, al zijn de meesten niet goed bij hun hoofd. Gerespecteerde journalisten zijn er aanmerkelijk minder, al heeft deze beroepsgroep zich de laatste decennia, mede dank zij H. J. A. Hofland, onttrokken aan het traditionele beeld van een slechtgeschoren, enigszins ranzig ruikend individu dat gedoemd is, een vers sigaretje in de mondhoek, zich door de autoriteiten te laten afblaffen.

Sprekende over zijn 'boekachtige verschijningen’ demonsteerde Hofland opeens een soort bescheidenheid. Vier daarvan, dacht hij, zullen 'als geschiedenisboekjes geen onaardige indruk’ maken. Voor de anderen zal hij zich 'als fabrikant van volzinnen’ niet hoeven te schamen.
Laat ik er op mijn beurt een volzin tegenaan gooien. Ik volg het werk van H. J. A. Hofland al sedert de geboorte van zijn Onaangenaamste Abonnee en heb zelfs enige tijd de Onaantastbare Autoriteit mogen gadeslaan, ik ben Hoflands werk blijven volgen, van zijn zaterdagse mini-observaties tot de romans uit zijn rijpere jaren, ik heb het allemaal op de plank, niet als uitgeverspresentjes, maar gewoon zelf gekocht, uit belangstelling, en ik kan hem, Hofland, verzekeren dat wij, representanten van de gideonsbende die nog boeken leest, in de loop der decennia veel van hem, Hofland, hebben geleerd, op het gebied van het acceptabel formuleren en op het gebied van het creatief declareren, over de historische en actuele implicaties van zowel de binnenlandse als de buitenlandse politiek, en niet in de laatste plaats over de fundamentele voosheid van de autoriteit, de bolle minotaurus uit de jaren vijftig, zestig en zeventig - een enkeling zit nog verstopt in het struikgewas van de jaren negentig - aan wiens onttakeling hij, H. J. A. Hofland, tot heil der natie zoveel heeft bijgedragen.