Politiek sonnet

H. v.d. Linde (22)

Een kleine man zei voor de buis: «Het is een soep!»

Ach, hij bedoelde «soap», geeft niks, soep mag ook.

Want hoe je het ook zag, het was me daar een troep.

Want Leefbaar Nederland was danig van de kook.

Een gore soepzooi van zeer slappe oude hanen,

wier kleffe impotente kraaien zinloos is.

Ze overschreeuwden schrijnend hun totaal gemis:

aan intelligentie, integerheid, titanen.

Zo baarde men opeens een kind, het was een meid.

De dolle honden hadden elkaar doodgebeten

zodat het botte bot voor Haitske overbleef.

De natte zwavelstokjes in haar hand ten spijt,

het blijft nog steeds een clownspartij zonder geweten.

En Leefbaar? Als bedorven soep en overgeef.