Haagse beat opgepoetst

Het Haags Historisch Museum wijdt momenteel een retrospectief aan de bloeiperiode van de Haagse popmuziek. Vier zalen nostalgie voor veertigers. De wanden hangen vol elpeehoezen van The Motions, Q65, The Golden Earrings en Sandy Coast. Onheilszwanger kijken de bandleden in de lens van de fotograaf. Een geluidstape van de roemruchte Haagse Beatnacht en tv-beelden van het nog veel roemruchtere optreden van The Stones in het Kurhaus brengen het ruige verleden dichter bij.

Those were the days. De buitenstaander, niet bevattelijk voor Haagse jeugdsentimenten, raakt na verloop van tijd razend nieuwsgierig. Hoe kon toch dat in- en inkeurige Den Haag halverwege de jaren zestig uitgroeien tot Nederlands centrum van de beatmuziek?
Een duidelijk antwoord geeft de tentoonstelling in het overigens voor een gelegenheid als deze wel erg statige museumpand niet. Dat is er ook niet. Uit interviews met betrokkenen uit die tijd spreekt verwondering en sterk realiteitsbesef. Rudy Bennett, zanger van The Motions, gevraagd naar zijn carrie`re naast de rockmuziek: ‘Voor ik in de muziek zat werkte ik bij mijn vader in een woninginrichtingzaak. Ik heb een middenstandsdiploma.’ Ik durf er het gehele oeuvre van The Golden Earrings onder te verwedden dat diezelfde Rudy Bennett dertig jaar later daadwerkelijk zijn dagen in een meubelzaak slijt. En hij zou geen uitzondering zijn. De trieste filmpjes van uitgebluste, kalende popmusici die vanuit hun keurig opgeruimde doorzonwoning nog eens verhalen over vroeger, ontbreken niet. 'Rock 'n’ roll’, zegt Hans Vermeulen van Sandy Coast, 'is geen muziek, het is een levenswijze.’ En achter hem stapelen in zijn brandschone hi-tech studio de computerschermen zich op. 'Ik weet het zeker’, zegt een muziekkompaan uit die tijd. 'Als Hans in Amerika was geboren, was hij nu een beroemdheid geweest.’ Buiten beeld voel je Vermeulen instemmend knikken.
Daarmee wordt de Haagse beatrock postuum tot potsierlijke proporties opgeblazen. Dat het Merseybeat-virus vanuit Liverpool juist naar Den Haag oversloeg, heeft bar weinig te maken met de kwaliteit van de Haagse popmusici. Het was vooral een kwestie van infrastructuur. Eind jaren vijftig bloeide in Den Haag de Indo-rock. Bandjes als The Hot Jumpers en de Tielman Brothers combineerden hun Indonesische roots met de laatste Amerikaanse rock 'n’ roll. Een video op de expositie toont beelden van vakkundig gitaarwerk en perfect gestileerde optredens. De razende populariteit van de Indo-rock maakte het Haagse publiek ontvankelijk voor de variant van eigen bodem die erop volgde. Door de twee toenmalige Endemollen, Paul Acket en de achttienjarige Jacques Senf, werd er slim op ingespeeld. Senf organiseerde tienerfestivals. Een deel van de winst sluisde hij door naar het Koningin Wilhelmina Fonds, niet toevallig onder bestuur van de Haagse politiecommissaris Gualthe'rie van Weezel. Zo wist hij problemen met de autoriteiten te vermijden.
Imago en uiterlijk van een band legden veelal meer gewicht in de schaal dan de muziektechnische kant. Als Rob van Leeuwen The Motions verlaat tekent de Haagsche Courant op: 'Hoe de nieuwe band van Rob van Leeuwen eruit zal zien, wil hij nog niet zeggen. Wel is bekend dat het allemaal jongens van zijn lengte zullen zijn: 1.65.’
In de jaren '65-'66 beleeft de Haagse beatrock zijn finest hour. Meer dan drieduizend bandjes worden dan aan de boorden van de Noordzee geteld, vanwaar het nabijgelegen radioschip Veronica de Nederbeat verspreidt over de rest van het land. In 1967 keert het tij. De Beatles duiken in de psychedelica - te ingewikkeld voor de Haagse scene. Twee mijlpalen resteren: de eerste plaats van Shocking Blue’s Venus op de Amerikaanse billboard en de (latere) doorbraak van Golden Earring. Genoeg reden overigens om de expositie (tot en met 15 mei) in het Haags Historisch Museum meteen in een permanente te veranderen.