Haagse tijd

Het was lang geleden. Rond 1975. Ik woonde een tijdje in Den Haag bij mijn zuster. Haar man was beeldend kunstenaar. We hoorden van een bevriende makelaar dat er op de Denneweg een redelijk groot pand te huur was dat niemand wilde hebben en de vraag was of dit ingericht kon worden als een tijdelijke galerie. Dat kon.

Mijn zusje bedacht de naam (Galerie Mathom), mijn zwager haalde wat kunstenaars bij elkaar en ik, levend van hier en daar een tientje en honderd kleine klusjes, werd ‘de portier’ van de galerie. Ik moest, als er bezoekers kwamen, proberen ze een kunstwerk aan te smeren.

Ik geloof dat ik nog nooit zo heb gelachen als in die tijd. Ofschoon er weinig bezoekers kwamen, was het altijd druk, namelijk met de exposerende kunstenaars die langs kwamen om te zien of hun werk al verkocht was (‘Nee, helaas’) en dan bleven hangen (‘Is er nog wat te drinken hier?’).

De meeste kunstenaars uit die tijd zijn dood, mijn zuster is 81 en ze heeft nog werk van ze. In die tijd kochten kunstenaars kunst van elkaar, tegen sterk gereduceerde prijzen omdat niemand anders die kunstwerken kocht en men wel degelijk wist wat wel en wat niet kwaliteit had.

Er werd veel gediscussieerd. Ik bedoel: gescholden op de wereld buiten. En we waren het met elkaar eens. We wensten niet bij die buitenwereld te horen. Daar viel ook een deel van de bekende kunstenaars en de kunstwereld onder. Wie commercieel was – en dat waren er veel te veel – werd geëxcommuniceerd. We beweerden dat we afzagen van roem. Je moest bezig zijn met je eigen trip. We leefden slordig en met heftige emoties maar van een andere heftigheid dan tegenwoordig. De moraal was losser. Wij hielden ons niet aan regels, dus hoefden anderen zich ook niet aan regels te houden. Je mocht alleen ambitie hebben voor je werk, maar je mocht geen hoge sociale status nastreven. Ik heb het idee – maar ik ben nu oud – dat er destijds meer geneukt werd dan nu, maar een historicus verzekerde me dat ‘vreemdgaan’ in elke tijd even populair was, zo blijkt uit DNA-onderzoek.

Niemand maakte ‘geëngageerde’ kunst met een boodschap die belangrijker was dan het kunstwerk

Leven we nu in een tijd van neo-moralisme? Er mag steeds minder, en elke overtreding is ‘heel erg’. Een moraal wordt in superlatieven bewonderd of afgedaan. Eén verkeerd woord of je moet van iets bewust worden gemaakt en het is hoogst ongepast om een man in vrouwenkleren uit te lachen of een homo of een vrouw in de kont te knijpen. Tja – dat is natuurlijk ook zo.

Vroeger zouden we ons voor al die zaken niet schamen. Onterecht? Misschien wel. Maar verkeerd gedrag, een verkeerd vocabulaire, werd je niet kwalijk genomen.

Niemand maakte destijds ‘geëngageerde’ kunst met een boodschap die belangrijker was dan het kunstwerk.

Ik rij elke dag langs het Rijksmuseum. Een tentoonstelling over ‘ons’ slavernijverleden. Nou ja, misschien leuk om met de kleinkinderen naartoe te gaan. Voor mijzelf hoeft het niet. Ik kom vervolgens langs het vreselijk geworden Stedelijk. Surinaamse kunst. Kan heel mooi zijn. Ik heb rond 1996 daar al een mooie tentoonstelling van gezien. De directeur vindt deze tentoonstelling nu belangrijk want ‘de wereld moet werelds gedacht worden’, zegt hij, hij stamelt ook clichés uit over diversiteit en inclusiviteit. Het woord kwaliteit neemt hij niet in de mond. Zal wel weer een verboden woord zijn, omdat je met ‘kwaliteit’ anderen uitsluit die dat niet hebben. Gelijkheid sluit kwaliteit uit, zo’n redenering zal men wel hebben.

Ik verlang naar mijn Haagse tijd. Natuurlijk wilde men stiekem roem, maar het was niet het enige. Men wilde een artistieke manier van leven. En die droop van immoraliteit, want verzette zich tegen de muffige, burgerlijke naoorlogse moraal. Ik geloof niet dat er vrouwen werden verkracht, maar er werd continu verleid en men liet zich graag verleiden; het waren jongens en meisjes die, net als mijn zuster, de oorlog hadden meegemaakt, wier ouders de draad van 1940 oppakten en niet begrepen dat hun kinderen wilden uitbreken. Het waren de jaren zestig en zeventig. Kunstenaars wilden streven naar een andere moraal, maar die niet zelf uitdragen. Ze begrepen dat ‘het leven’ zich afspeelde van je achttiende tot je 55ste. Er lag druk op.