Haal de kop uit het woestijnzand!

Journalist Philippe Lançon doet in Le lambeau (2020) indringend verslag van zijn moeizame revalidatie na de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo, januari 2015. Je leest over operaties om zijn afgeschoten kaak – ‘de flard’ – en opengereten armen te herstellen. Over nachtmerries waarin de benen van de schutter en de loop van de kalasjnikov weer naast hem verschijnen als hij op de grond ligt of de uiteengespatte hersenen van zijn collega Bernard Maris veranderen in een inktzwarte octopus. Over hoe zijn broer en vrienden, Bach, Mann en Proust hem er mentaal doorheen slepen. Aan politiek of religie wijdt hij in zijn boek geen woord, op een kwellende gedachte na: zijn eigen progressieve kring kijkt weg van het gevaar van de radicale islam of beschuldigt degenen die daarop wijzen van racisme, discriminatie of islamofobie. De lafheid van links voelt als een fatwa.

Voor Lançon is het te belastend om als getuige aanwezig te zijn bij het proces tegen veertien verdachten die betrokken zouden zijn bij de aanslagen in Parijs. Alles komt in detail terug, zoals blijkt uit het verhaal van Angela Dekker in De Groene. Deze zaak laat andermaal zien hoe moeilijk het is om islamisme via de rechter aan te pakken. Het is altijd achteraf, zelden preventief. Aanslagplegers komen meestal tijdens hun heilige strijd om en handlangers ontkennen of lijden aan geheugenverlies.

Altijd weer die slachtofferrol, terwijl het niet gaat om dé islam

Ondertussen woekert het onheil in de samenleving onverminderd voort. Tijdens de maanden die de zittingen in beslag namen tikte de teller door: een docent in Parijs, christenen in Nice, willekeurige burgers in Wenen. Een ondergedoken leraar in Rotterdam. Overal worden al jarenlang mensen bedreigd: joden, homo’s, vrijgevochten moslims, hervormingsgezinde imams – mensen die inhoudelijk kritisch zijn op het islamisme, of gewoon op de islam – zijn net zo goed object van haat als cartoonisten. Het hele spectrum van vrije meningsuiting ligt onder vuur.

Hoe je het islamisme binnen de rechtsstaat terugdringt zonder grondwettelijke vrijheden aan te tasten, daarmee worstelt iedereen. Waar Frankrijk de laïcité – scheiding van kerk en staat – probeert aan te scherpen, kiepert Nederland het probleem over het schoolhek: meer lessen burgerschap. Maar dat stuit weer op artikel 23 in de grondwet, de vrijheid van onderwijs. Macron wil stevige maatregelen nemen tegen de geldstromen uit de Golfstaten en tegen haatprekers die via internet of moskeeën zwakke broeders, veelal uit het criminele milieu, ronselen en ophitsen. Hij krijgt de kous op de kop van dictator Erdogan.

In Nederland verscheen vlak na de bedreiging van de Rotterdamse docent een petitie van moslims die belediging van de profeet strafbaar wil stellen. Onbegrip over de selectieve verontwaardiging én de timing ervan liet Azarkan van Denk tijdens een Kamerdebat als de vermoorde onschuld van zich afglijden – hij begreep niks van de woede die hij opwekte. Altijd weer die slachtofferrol, terwijl het niet gaat om dé islam maar om een conservatieve tak die zich in naam van de profeet intimiderend opdringt tot in het klaslokaal. De échte slachtoffers vallen daar, op straat, in redactielokalen.

Het is toch overduidelijk dat het probleem met de radicale islam steeds meer in de greep raakt van onmacht, ongemak en angst? En dat we dit samen moeten doorbreken om de liberale vrijheden die voor iedereen gelden te verdedigen? Te beginnen door de kop niet langer in het woestijnzand te steken. Controverses en pijnlijke onderwerpen niet vermijden, de zere schenen, lange tenen, korte lontjes en blinde vlekken ten spijt. En links moet in de eigen spiegel kijken, anders blijft het rechts-populisme voeden.