Haalt 1984 het jaar 2000?

Vijftig jaar geleden verscheen ‘Nineteen Eighty-Four’ van George Orwell. Daarin zet de schrijver een totalitaire wereld neer zoals die ‘zou kunnen’ ontstaan. Is Orwells afschrikwekkende voorspelling uitgekomen?

GEORGE ORWELLS Nineteen Eighty-Four verschijnt op 8 juni 1949 bij Secker & Warburg in Londen en op 13 juni bij Harcourt, Brace in New York. Het boek wordt onmiddellijk een groot succes. Life wil verslaggevers op Orwell afsturen, maar dat vindt hij te vermoeiend, zoals hij in een brief aan Julian Symons schrijft. Hij is erg ziek geweest, maar de laatste weken gaat het beter: ‘I hope perhaps now I have turned the corner.’ De dokters hebben bemoedigende dingen tegen hem gezegd, maar hij moet zich rustig houden, 'misschien wel een heel jaar - ik hoop natuurlijk dat het niet zo lang zal duren’. Orwell zou gelijk krijgen, maar anders dan hij gehoopt had. De Koude Oorlog was al enkele jaren aan de gang, een mooie tijd van pesterijen, dreigementen, paranoïde overtuigingen, echte of vermeende missile gaps, spionage-affaires en indirecte militaire conflicten - en Chroesjtsjov sloeg met zijn schoenen op tafel. In mei 1949 was de Berlijnse blokkade afgelopen, enkele weken na oprichting van de Navo. De wereld leek overzichtelijk, zoals vooral na 1989 vaak en soms ietwat weemoedig is opgemerkt, maar in de late jaren veertig was er nog weinig ruimte voor dit soort literaire sentimenten. Op 23 september 1949 brachten de Russen hun eerste A-bom tot ontploffing. Nineteen Eighty-Four verscheen kennelijk op het juiste moment, wat dat ook zijn moge. De Britten en de Amerikanen bleken ontvankelijk voor het schrikbeeld van een wereld waarin Winston Smith door een meedogenloze en machtsbeluste oligarchie, vertegenwoordigd door de sadistische O'Brien, geestelijk en lichamelijk werd vermorzeld. Nineteen Eighty-Four fungeerde als het icoon van een tijdperk, maar volgens de Amerikaanse filosoof Richard Rorty behoorde het evenals Animal Farm tot de boeken die door Nabokov tot 'topical trash’ werden bestempeld ('rotzooi met een onderwerp’) omdat de wereld erdoor veranderd werd: Orwell brak de macht die de 'bolsjewistische propaganda’ (uitdrukking Nabokov) had over de breinen van Britse en Amerikaanse intellectuelen, terwijl de Fransen moesten wachten op Solzjenitsyns Goelag Archipel. Had Orwell gelijk met zijn sombere voorspellingen? De consensus luidt dat het nogal meevalt. Je zou in sommige aspecten van de moderne samenleving (televisieamusement, de vlakheid van de meeste popmuziek, gesloten cameracircuits, gekoppelde computerbestanden, spionagesatellieten, autoritaire praktijken in derde-wereldlanden) met enige goede wil trekjes van Nineteen Eighty-Four kunnen herkennen, maar er verschijnen tegenwoordig wel subtielere analyses van maatschappij en Zeitgeist. Orwell kon niet lang genieten van zijn success - voor zover zijn lichamelijke toestand dat überhaupt mogelijk maakte - want de tuberculose velde hem in januari 1950, op 46-jarige leeftijd, een maand voordat senator McCarthey zijn paranoïde kruistocht startte. OP HET EERSTE gezicht lijkt Nineteen Eighty-Four een eenvoudig boek, een simpele roman met een boodschap: Orwell waarschuwt tegen de gevaren van de totalitaire samenleving - zoals hij zelf herhaaldelijk heeft uitgesproken. In de Collected Essays (deel IV) is een extract van een brief aan een Amerikaanse vragensteller opgenomen: 'Mijn recente boek is NIET bedoeld als een aanval op het socialisme of de Britse Labour-partij (waarvan ik een aanhanger ben), maar als een demonstratie van de perversies waartoe een gecentraliseerde economie neigt en die deels al werkelijkheid zijn geworden in het communisme en het fascisme. Ik geloof niet dat het soort maatschappij dat ik beschrijf noodzakelijkerwijs zal ontstaan, maar ik geloof (natuurlijk rekening houdend met het feit dat het boek een satire is) dat iets vergelijkbaars zou kunnen ontstaan. Ik geloof dat totalitaire ideeën overal ter wereld wortel hebben geschoten in de breinen van intellectuelen, en ik heb geprobeerd om deze ideeën tot in hun logische consequenties door te trekken. Het boek is gesitueerd in Brittannië om te benadrukken dat de Engels sprekende rassen niet van nature beter zijn dan wie dan ook en dat het totalitarisme, wanneer het niet bestreden wordt, overal zou kunnen triomferen.’ Ondubbelzinniger kan het niet, zou je zeggen; Orwell is een auteur van het coöperatieve type (een uitdrukking van Susan Sontag), die zijn politieke overtuigingen en bedoelingen ook nog eens verduidelijkt in brieven, recensies en radiopraatjes. Maar zo eenvoudig liggen de zaken kennelijk niet. Er kwam een - in de woorden van Norman Cantor - 'cottage industry of talmudic interpretations’ op gang (net als bij Kafka), en in de loop der tijden werd Nineteen Eighty-Four toch weer diep, ingewikkeld, 'gelaagd’, een boek dat misschien zelfs 'gedeconstrueerd’ moest worden. Hoe werden de vrouwen afgebeeld? Hoe zat het met de male ideology in de roman? Waarom kwam de werkende klasse er zo beroerd vanaf? Wat waren de onbewuste bedoelingen van de auteur? Omdat Orwell - die we het best kunnen omschrijven als een patriottisch socialist - een complete alternatieve maatschappij ontwerpt, is het geen wonder dat zijn boek een dankbaar object is voor allerlei diepgravende beschouwingen over de technologie, het functioneren van de media, politiek-filosofische en taalkundige kwesties, de democratie, de psychologie van het totalitarisme en de verhouding tusen fictie en non-fictie - de lijst kan moeiteloos worden uitgebreid. Het valt niet mee om de roman gewoon als roman te lezen, hoewel Orwell zichzelf altijd uitdrukkelijk als literair schrijver is blijven zien: hij was geen politieke pamflettist, en wanneer hij dat wel was, stelde hij andere eisen. Een typerend voorbeeld voor de moderne kritische receptie is de bundel George Orwell uit de serie New Casebooks (1998), geredigeerd door Holderness, Loughrey en Yousaf. In de introductie wordt over Orwells Burmese Days gezegd dat zijn antikolonialistische counter-narrative 'does not diverge significantly from a colonialist semiotic’, en even verderop stuiten we op een passage als deze: 'De kritische bestudering van Orwells werk wordt verder bemoeilijkt door de erkenning van het feit dat de term “representatie” semantisch instabiel is en dat de culturele codes die ten grondslag liggen aan deze representaties de criticus dwingen tot een vorm van intellectuele archeologie.’ Dit begint al aardig te ruiken naar dat eigenaardige race-and-gender-and-postcolonialism-dieventaaltje waar sommige medewerkers van letterenfaculteiten zo bedreven in zijn. Hoe vaak moeten we nog aanhoren dat wat je gelooft onlosmakelijk verbonden is met de waarden en overtuigingen van de maatschappij waarin je leeft, alsof er helemaal nooit objectief waarneembare feiten zouden bestaan? IN DE GENOEMDE Holderness-bundel bevinden zich - naast enkele goede bijdragen van John Rodden en Michael Walzer - diverse opstellen die rechtstreeks op de zenuwuiteinden inwerken, maar de prijzen gaan ditmaal naar Alan Kennedy en Richard Rorty. Alan Kennedy wil in The Inversion of Form: Deconstructing 1984 de relatie tussen vorm en inhoud 'breken’, want 'de tekst blijkt meer betekenissen te hebben wanneer de relatie tussen vorm en betekenis wordt verbroken’; hij weet heel erg zeker dat Orwells 'bewuste bedoeling doorkruist en overtroffen wordt door een onbewuste’. Daar heb je er weer zo één, denkt de lezer, terwijl hij probeert te begrijpen hoe Kennedy het klaarspeelt om uit Nineteen Eighty-Four een volledig geoutilleerd Oedipus-complex op te delven. Als ik het ook maar bij benadering goed heb begrepen, is de bewijsvoering gebaseerd op het feit dat Winston Smith (die misschien schuldig is aan de dood van zijn moeder en zijn zusje) de chocola van zijn zusje heeft gestolen, en omdat het lichaam van zijn eveneens dissidente minnares Julia tijdens een droom geen seksueel verlangen bij hem oproept, moet zij wel, op een dieper niveau, zijn moeder voorstellen - wij stuiten dus op een incestverbod; de wrede O'Brien, die hem martelt, is dan natuurlijk een surrogaat-vader. 'Unconsciously, differentially, Orwell has once again demonstrated that guilt and its controls, the necessary discontents, are central to the building of human civilisation.’ Ik laat deze passage met opzet onvertaald om te laten zien t werkelijk alles hier misgaat. Waarom zou je je bemoeien met het onbewuste van de auteur? Hebben we niet genoeg te doen? Wat betekent 'differentially’ in dit verband? Hoezo, once again? En wat zijn 'necessary discontents’? RICHARD RORTY, de filosoof van wie we niet meer weten of zijn ster rijzende of dalende is, bedrijft een totaal andere vorm van exegese. We hebben hier te maken met een echte denker, ook al onderneemt hij sinds jaar en dag een kruistocht tegen de filosofie. Zijn interpretatie is ontleend aan het geruchtmakende Contingency, Irony and Solidarity uit 1989. Het wereldbeeld van Rorty wordt gekenmerkt door een curieus soort relativisme. Zijn centrale opvatting is anti-essentialistisch: hij gelooft niet in een absolute waarheid en niet in een fundering van onze kennis. In de loop van zijn carrière schuift hij op in de richting van Derrida (iemand in wiens richting je absoluut niet moet opschuiven): hij gaat er niet meer van uit dat enig geloof fundamenteler is dan een ander geloof en hij meent dat filosofie niet meer is dan een soort conversatie. Omdat er geen 'duidelijke morele feiten’ zijn of enigerlei 'neutrale grond’ van waaruit oordelen mogelijk zijn, kunnen we niet over 'de realiteit’ spreken, maar hoogstens over verschillende 'vocabulaires’, gelijkwaardige 'alternatieve beschrijvingen’ van dezelfde gebeurtenissen. Rorty meent dat er sinds 1948 niets is veranderd en dat 'wij liberalen’ nog steeds geen nieuw, 'plausibel scenario’ hebben ontwikkeld. 'Betere verhalen’ over de mens, waarheid of geschiedenis helpen niet, zodat O'Brien kan worden gezien als een ironicus in rortyaanse zin, iemand die twijfelt aan 'zijn eigen uiteindelijke vocabulaire’. Hij wil met zijn slachtoffer Winston communiceren omdat ook hij zijn 'web van overtuigingen en wensen’ zo coherent moet zien te houden dat hij kan handelen; vriend of vijand maakt geen verschil, hij heeft iemand nodig die slim genoeg is om te begrijpen waar hij het over heeft. Ook Orwell gelooft volgens Rorty niet in 'diepe feiten over de menselijke natuur’. De geschiedenis kent geen keiharde waarheden; ze wordt gedomineerd door 'een heleboel kleine contingente feiten’ en er zijn verschillende, gelijkwaardige manieren om erover te spreken. Gaat ons bloed hier sneller van stromen? Het mijne niet: Nietzsche beweerde ooit dat er geen feiten zijn, maar 'slechts interpretaties’, en Rorty’s bijdrage biedt meer van hetzelfde. Het probleem met dit type interpretatie is dat de auteur niet probeert om het boek te begrijpen, maar het net zo lang kneedt totdat het een sprekende illustratie is geworden van wat hij altijd al bedoelde, wat in dit geval betekent dat er niet al te veel hoeft te worden gekneed, omdat zijn filosofische ruimhartigheid bijzonder weinig verplichtingen oplegt. Het is nogal gemakzuchtig om de geschiedenis uitsluitend als 'chaotisch’ of 'toevallig’ te beschouwen en alle interpretaties ervan als relatief; je kunt de geschiedenis ook benaderen als een samenspel van incidenten en brede, globale ontwikkelingen - een 'cocktail van ordes, van wanorde en organisatie, altijd in beweging, onzeker en variabel’, in de woorden van de Franse historicus Edgar Morin. Rorty’s relativisme overtuigt niet meer. De filosoof Roger Scruton laat er in enkele verwoestende paragrafen van zijn Modern Philosophy (1994) niets van heel; hij noemt de pragmatisten (waartoe Rorty wordt gerekend) 'doortrapte casuïsten zoals Protagoras’ en roept in herinnering dat de grote Immanuel Kant erop heeft gewezen dat de mens weliswaar niet Gods perspectiefloze blik op de dingen kan bereiken, maar dat dit niet betekent dat we het concept van een waarheid of een objectieve wereld los moeten laten; de gedachte eraan functioneert als een 'regulatief idee’ dat ons 'altijd aanspoort langs de weg van ontdekking’, zoals Scruton het uitdrukt. We moeten proberen uit te zoeken wat waar is en wat niet waar is, en daarmee basta; vanuit dit perspectief bezien is er uiteindelijk geen plaats voor nodeloze diepzinnigheid en doublethink. Er zijn overigens genoeg aardsere beschouwingen verschenen, zoals de bundel opstellen onder redactie van Peter Stansky (1983), waarin verschillende facetten van Orwells boek worden bezien in het licht van eigentijdse inzichten en de resultaten van wetenschappelijk onderzoek. Elisabeth Traugott bekritiseert in het artikel 'Newspeak: Could It Really Work’ de opvatting dat het bewustzijn van mensen op een eenvoudige manier gereguleerd kan worden door de taal te amputeren, zoals de partij Ingsoc in Nineteen Eighty-Four probeert: wanneer je woorden uitschakelt, breidt de betekenis van de resterende woorden zich uit en de invloed van de taal op het denken wordt door Ingsoc zwaar overschat. Ook het voortreffelijke boek van dr. Th.J. Hooning, George Orwell in zijn tijd (1969; let op het subtiel gekozen voorzetsel!) is van een adembenemende nuchterheid en helderheid. NATUURLIJK IS Nineteen Eighty-Four zowel het product van een tijdperk als van persoonlijke ervaringen: fascisme, stalinisme, de depressie van de jaren dertig, Londen tijdens de Blitz, de levensmiddelenschaarste, de Koude Oorlog, Orwells activiteiten in Birma en Spanje, zijn werk als propagandist en programmamaker bij de BBC (de kantoren keren overduidelijk terug in de beschrijvingen van Winstons werkplek in het ministerie van de Waarheid) en de lectuur van andere anti-utopische boeken als Huxley’s Brave New World en Zamjatins Wij - maar de herkomst van een literair werk kan maar tot op zekere hoogte worden verhelderd. Invloeden zijn vaak moeilijk te bewijzen, maar ze kunnen wel worden aangevoeld of aannemelijk gemaakt. We zouden ook kunnen zeggen dat het onredelijk is om te veronderstellen dat Nineteen Eighty-Four uit de lucht is komen vallen, want waar zou de inspiratie vandaan hebben moeten komen? Orwell was eigenlijk niet geschikt voor de rol van sciencefiction-schrijver: hij heeft altijd zwaar geleund op eigen ervaringen, maar hij moest nu uit een ander vaatje tappen. SF-schrijvers willen wel eens genoegen scheppen in het verzinnen van nieuwe technologie, maar van Orwell, die een zekere afkeer had van machines, horen we niet veel: in wat voor voertuigen rijden de partijleden naar hun deprimerende ministeries? Hoe werken de telescreens waarmee partijleden als Winston Smith voortdurend in de gaten worden gehouden? De raketten die van tijd tot tijd op Londen vallen zijn niet te onderscheiden van de Duitse V1’s en V2’s; kennelijk is de wereld in technologisch opzicht min of meer gestagneerd, of zelfs nog wat armoediger uitgevallen dan Orwells werkelijkheid. De aankleding van Nineteen Eighty-Four is door en door nineteen fourty-eight, dat wil zeggen: stoffig, ruikend naar kool en groezelig. Volgens de openingszin is het in Winstons wereld zelfs in april guur weer en de klokken beschikken over het vermogen om dertien te slaan. VOORSPELLINGEN KUN JE het best formuleren wanneer de gebeurtenissen achter de rug zijn, maar ik durf nu toch het vermoeden uit te spreken dat de grote tijd van Nineteen Eighty-Four voorbij is. Het boek is deel van de geschiedenis geworden, een symptoom van een periode en tegelijkertijd een commentaar erop - 'topical trash’ misschien zelfs, maar in ieder geval een boeiend hoofdstuk uit de cultuurgeschiedenis. In het jaar 1984 herleefde de belangstelling voor Orwells laatste boek, maar daarna was er sprake van een ongekende terugval. Ik zie eerlijk gezegd geen reden waarom het nog een keer geschiedenis zou schrijven: de wereld van Nineteen Eighty-Four is geen wereld om nostalgisch op terug te blikken of verlangend naar uit te kijken.