De krant is geen meneer meer

Haalt NRC Handelsblad 2014?

Het eens zo heldere NRC Handelsblad is verworden tot een rommelig tijdschrift. Creativiteit en diepgang moeten wijken voor de snelle stijl van Derk Sauer, Peter Visser en Peter Vandermeersch. Een diep ongelukkig huwelijk. Men moet uit elkaar.

Medium 20120714 nh selectie 4 01

NRC Handelsblad is mijn krant, zoals De Groene Amsterdammer mijn weekblad is. Ik zeg ‘mijn’, en ik bedoel: ik voel me ermee vervlochten, ik ben er in dienst geweest, ik ben een trouwe lezer, mijn vrienden werken er, we hebben tientallen jaren lief en leed gedeeld. Sinds ruim een jaar hoor ik steeds vaker: ‘Weet jij wat er toch bij die NRC aan de hand is?’ Iedereen kan inmiddels weten dát daar ‘iets aan de hand is’. Maar wát?

De laatste tijd is er over NRC Handelsblad behoorlijk wat negatieve publiciteit geweest. Verslaggeefster Jannetje Koelewijn heeft deze maand ontslag genomen, omdat ze niet meer zegt te kunnen samenwerken met hoofdredacteur Peter Vandermeersch. Twee weken eerder is Rob Wijnberg, de hoofdredacteur van nrc.next, abrupt aan de kant gezet door diezelfde Vandermeersch – nota bene omdat hij van next een eigenwijs en eigenzinnig dagblad had gemaakt, iets wat nu juist de opdracht was bij zijn benoeming. Als directielid/hoofdredacteur heeft Vandermeersch eerder dit jaar goedgekeurd dat de grootaandeelhouder, investeringsmaatschappij Egeria, 12,5 miljoen euro dividend uit het nrc-bedrijf heeft getrokken. Zo’n getal op zichzelf zegt nog niks, maar het zegt alles wanneer je het afzet tegen de ruim 4,5 miljoen euro winst die nrc in 2011 heeft gemaakt. Er wordt dus, in deze zware tijden, acht miljoen extra uit de krant weggeplunderd. Egeria is, zoals de zaken nu liggen, van plan een soortgelijke exercitie een paar keer te herhalen.

Intussen is in datzelfde boekjaar 2011 bloedig gesneden in het redactiebudget: dertig redacteuren zijn ontslagen, bijna vijftien procent van het totale aantal redacteuren. En geïnvesteerd in journalistieke vernieuwing? In geld uitgedrukt moet het antwoord zijn: nul komma nul.

Een krant is een raar bedrijf. Het kapitaal zit vooral in de hoofden van de paar honderd redacteuren, correspondenten en medewerkers. Bij goede kranten, overal ter wereld, heersen dan ook respectvolle omgangsvormen. Aan de ene kant vereist de dagelijkse productie van nieuws en actualiteit een hechte organisatie, waarin discipline onontbeerlijk is en hiërarchie wordt geaccepteerd. Aan de andere kant staat, wat de inhoud van het werk betreft, de persoonlijke verantwoordelijkheid van iedere journalist centraal. Bij NRC Handelsblad is dat principe zelfs letterlijk vastgelegd in het redactie­statuut. Het behoort tot de grondslagen van iedere kwaliteitskrant.

Een goede krant is tegelijkertijd een publiek goed, een verbond tussen redactie en lezers. Zo’n verworvenheid is, zoals alle publieke goederen, allesbehalve een vanzelfsprekendheid. Je kunt het kwijt zijn voordat je er goed en wel erg in hebt. Dat heeft alles te maken met de taal waarin de redactie tot haar lezers spreekt, de smaak en stijl van inhoud en vorm: een systeem van tientallen jaren ervaring, tradities, normen en waarden, dat zich langzaamaan heeft gevormd.

Als zo’n bijzonder gezelschap van journalisten in vrijheid kan werken, zolang er ruimte is voor oorspronkelijkheid, vernieuwingszin en eigen kweek, kunnen er schitterende dingen gebeuren. Als zo’n redactie­gemeenschap daarentegen wordt beknot en betutteld, als vanuit de commercie ook inhoudelijk druk wordt uitgeoefend, dan kan het verval snel om zich heen grijpen. Het talent trekt weg, het collectieve kapitaal uit al die hoofden verwaait. De aandeelhouders hebben dan hun kip met gouden eieren de nek omgedraaid.

Natuurlijk, het is allemaal niet gemakkelijk. Alle serieuze kranten in de wereld worstelen met hun toekomst. Lezers en adverteerders besteden hun geld steeds minder aan ‘dode bomen besmeurd met inkt’. De oplages dalen, hun advertentieomzet daalt nog veel harder. Gevolg: nerveuze aandeelhouders vrezen voor hun kapitaal. Nieuwe directies en hoofdredacties worden als goeroes en wonderdokters binnengehaald – en even makkelijk weer afgedankt, omdat hun paardenmiddelen niet snel genoeg blijken te werken. In dat koortsige landschap is NRC Handelsblad altijd een baken van rust geweest. Aan het hoofd stonden onafhankelijke denkers als Ben Knapen, Folkert Jensma en Birgit Donker, die zichtbaar verkrampen bij de snedige borrelpraat in De wereld draait door, maar die de eigen lezers wel het gevoel gaven: deze mensen laten zich niet gek maken, ze laten de krant niet met alle winden meewaaien, ze houden het hoofd koel als ‘de media’ uitrukken naar het zoveelste brandje.

Het is niet zonder reden dat de nieuwe eigenaren de titels NRC Handelsblad en nrc.next zo gretig aan allerlei commerciële producten wilden verbinden. Dat gaf die producten extra status en inkomsten. NRC Handelsblad behoorde immers tot de internationale top. Die positie was echter, net als bij The Guardian, The New York Times en andere kwaliteitskranten, vooral te danken aan een lange traditie van zorgvuldigheid, journalistiek vakmanschap en voortdurende innovatie, aan een uitgekiende balans tussen hiërarchie en eigenwijsheid en aan een breed gedragen redactiecultuur van onafhankelijk denken. En aan eindeloos vallen en opstaan, natuurlijk, dat ook.

De soevereiniteit van NRC Handelsblad had een keerzijde: er kleefde ook wel iets stoffigs, iets saais aan deze krant. Althans in de ogen van de oppervlakkige lezer. Wie de redactiezaal voor het eerst binnenstapte, keek echter zijn ogen uit: wat waren de meeste redacteuren jong! Die degelijke, genuanceerde en verantwoorde stukken oogden veel bedaagder dan hun auteurs in werkelijkheid waren. De krant was in veel opzichten één grote verkleedpartij, een theater­gezelschap waarvan de spelers moeiteloos in de rol schoven van commentator, chef, recensent of ‘een onzer redacteuren’.

Dat gezelschap werd goed geregisseerd. Dat vormde de basis voor het succes van NRC Handelsblad als moderne, heldere krant – onafhankelijk van kapitaal en politiek, met een scherpe scheiding tussen nieuws en commentaar, autonoom in de beste Angelsaksische tradities. ‘Dat zijn wij niet! Je beschadigt de krant!’ was het grootste verwijt dat je een collega kon maken – want iedereen was buitengewoon voorzichtig met de naam NRC Handelsblad. Het gezag van de krant was immers broos, juist omdat het zo groot was.

Tegelijkertijd was het voortdurend een theater met een knipoog. De vrijheid, felheid en het enthousiasme van de redactie schemerden overal door de kieren heen. Dat voelden de lezers haarfijn aan, het was een van de grote charmes van de krant. NRC Handelsblad was óók de krant van Fokke Sukke, van Youp van ’t Hek, naast het onmisbare economiekatern en het even onmisbare CS, van de opiniestukken en recensies die iedereen moest hebben gelezen, van dynamische en harde onderzoeksjournalistiek, met naschokken die bij Ahold (‘sideletter’), politie en justitie (irt-affaire) en tot diep in de katholieke kerk (seksueel misbruik) nog altijd te voelen zijn. En met de oprichting van nrc.next werden de laatste resten stoffigheid afgeschud: een waagstuk dat tot een groot succes uitgroeide en dat internationaal aandacht en bewondering heeft gewekt.

Het theater werkte bovendien in de beste traditie van hecht ensemblespel. Top-down-management paste niet in de cultuur van NRC Handelsblad. In de ochtendvergaderingen – en wekelijks in zogenoemde ‘nabesprekingen’ – werd stevig over het nieuws en de krant gedebatteerd, en iedereen had daarin een eigen rol. Ook dat stond garant voor originaliteit en kwaliteit: tientallen slimme redacteuren weten nu eenmaal meer dan één slimme opperbaas. Elkaar bekritiseren was normaal, werd zelfs toegejuicht, omdat alleen zó de krant nog beter kon worden. Het bracht een eigen interne cultuur met zich mee, waarin gelijkwaardigheid en onopgesmuktheid golden als onuitgesproken normen.

Natuurlijk was al deze redacteuren niets menselijks vreemd, maar hun gezamenlijke cultuur was er niet eentje van zelfvergroting. Integendeel.

Toen kwam het jaar 2010. Media-ondernemer Derk Sauer, rijk geworden dankzij Russisch cowboykapitalisme, kocht NRC Handelsblad. Zelf had hij geen geld genoeg, maar via-via wist hij ander geld naar binnen te kruien: van investeringsfonds Egeria. Dit fonds speelt voor ondernemer met het kapitaal van grootvermogenden: de Van Puijenbroeks (van De Telegraaf), het Ahold-pensioenfonds en een handvol families die bankieren bij het deftige Van Lanschot. Aan het hoofd van deze financiële turbo, die z’n beleggers zo’n 25 procent kapitaalgroei op jaarbasis belooft, staat ene Peter Visser. De status van BN’er, zoals compagnon Derk Sauer, heeft hij niet, maar goed geboerd heeft Visser wel, als het klopt wat quotenet.nl/miljonairs meldt: ‘Geschat vermogen: 190 miljoen euro.’

Snelheid. Snel, sneller, snelst – dat is de wereld van het duo Sauer Visser. Ze waren in het voorjaar van 2010 nog geen twee maanden bij nrc aan het bewind of de zittende hoofdredacteur en directeur stonden al op straat. Niks intern debat en geleidelijke ontwikkeling. Harde besluiten, grootse gebaren. Daarbij past: Peter Vandermeersch, Vlaming, Bourgondiër, wereldburger – een aanstekelijk enthousiaste man, een keiharde werker, een rappe prater, een snelle beslisser.

Maar paste dat allemaal wel bij ‘mijn’ NRC?

Ik had eerlijk gezegd vanaf het begin mijn twijfels. Toen ik in het najaar van 2010 door Amerika reisde, had ik een paar keer vreemde dromen over de krant – ja, zo nauw zijn de banden nog steeds. Ik vroeg een voormalige collega hoe het ging, ik mailde dat ik gedroomd had dat pagina 4 en 5 grotendeels fotopagina’s waren geworden, omdat ‘de jongeren dat tegenwoordig zo willen’. Antwoord van mijn collega: ‘Je droomt helemaal niet. Je vergist je hooguit in de pagina. Op de 2 en de 3 komen nu pagina’s die “het feest van de dag” moeten verbeelden. Het gaat trouwens op de krant verdomd hard. Zo langzamerhand is het hele top- en middenkader vervangen.’

In diezelfde weken ontstond voor het eerst enige ophef: NRC Handelsblad plaatste de zelfmoord van de soapster Antonie Kamerling pontificaal op de voorpagina. Dat leek alleen maar raar, maar wie de krant beter kende, schrok zich kapot: deze fout betekende dat de onderlinge kritiek niet meer goed functioneerde, dat er blijkbaar geen chef of ervaren verslaggever meer was die met enig gezag had kunnen zeggen: ‘Hoho, dat moesten we maar niet doen, dat zijn wij niet, dat beschadigt de krant.’ Anders gezegd: het interne controlesysteem van checks and balances werkte niet meer. Het was een voorbode: in de Friso-kwestie zouden de remmen helemaal losgaan. Uiteindelijk werd vooral de boodschapster gestenigd, terwijl het in werkelijkheid de eind- en hoofdredacteuren in Rotterdam waren die hun taak – het kritisch beoordelen van kopij, het zoeken van de juiste plaats in de krant (dus niet de voorpagina) – hadden verzaakt.

In mijn brievenbus verscheen daarna steeds meer vreemdsoortig NRC-_drukwerk. Ik zag kranten die waren verpakt in advertenties voor Rolex en een whisky-merk. Een krant die zonder gêne allerlei ‘formats’ van de concurrentie imiteerde – tot voor kort was dat nog andersom. Een krant die nieuwsberichten begon te vervangen door nieuws­analyses waarin de feiten werden ingeruild voor half-opiniërende redeneringen en boterzachte toekomstvoorspellingen. Een zaterdageditie die opeens _NRC Weekend heette (genoemd naar het roddelblad met die naam?), met zielloze voorpagina’s vol onduidelijke koppen en tijdloze plaatjes.

Ik zag een trotse krant die het Verlichtingsideaal lux et libertas durfde te verkwanselen door een materialistisch lifestyle-katern de naam Lux mee te geven, en die – toen ze toch bezig waren – ongevraagd een glossy tijdschrift DeLuxe bij mij naar binnen frommelde, een blad waarin de advertentiefuik wagenwijd openstond, met aanprijzingen voor trendy meubelstukken en consumptiegoederen voor de nouveau riche – een belediging voor iedere serieuze lezer.

Natuurlijk, er bleven prima stukken in de krant verschijnen: voortreffelijke columns en commentaren, uitstekend verslaggeverswerk, slimme en originele overzichten. Mijn vroegere collega’s hadden niets van hun kwaliteiten verloren. Maar ze schreven in een krant die zijn consistentie in onderwerpkeuze en presentatie was kwijtgeraakt, een krant waarin je als lezer voortdurend verdwaalde, een krant die zichzelf zo’n beetje had omgetimmerd van een helder dagblad tot een rommelig tijdschrift. Alleen: ik wilde geen tijdschrift, ik had me daar ook nooit op geabonneerd, ik had domweg dagelijks een krant nodig, een vertrouwde huisvriend om me bij te praten en het nieuws te duiden, ja, met all the news that’s fit to print.

Wanneer ik van binnenuit hoorde wat zich ondertussen op de reactie afspeelde, liep ik met een steeds zwaarder gemoed naar huis. Natuurlijk, ‘overal gebeurt wel eens wat’, journalisten zijn geen makke schapen, ze praten veel, ze overdrijven graag, ze weten altijd alles beter en in iedere nieuwigheid zetten ze eerst grondig hun tanden. Maar dat was niet de toonhoogte waarop ik mijn oude vrienden hoorde praten. Zij zeiden ‘niet meer te weten waar de krant voor staat’. Ze verkeerden in verwarring, omdat de rooskleurige cijfers die hun op de krant werden gepresenteerd haaks stonden op de snel toenemende onvrede die ze in hun eigen omgeving waarnamen, bij hun familieleden, vrienden en kennissen.

Kritiek, vragen, debat: op de redactie werd dat voortaan opgevat als een persoonlijke krenking van de hoofdredacteur – een ongekende nouveauté vergeleken met de open en collegiale verhoudingen die altijd de redactiecultuur van NRC Handelsblad hadden bepaald.

Mijn vrienden vertelden over de manier waarop collega’s waren ontslagen of uit hun functie waren gezet, over de terreur van e-mails – al snel betiteld als ‘brulbrieven’ – die de hoofdredacteur dagelijks over de redactie verspreidde en waarin bekwame, hard werkende en integere collega’s persoonlijk in hun hemd werden gezet zonder eerlijke kans op weerwoord, over een sfeer van kleurloosheid en zelfs angst die iedere creativiteit zo langzamerhand begon te smoren.

Het lijkt verdorie wel Fanny en Alexander, dacht ik regelmatig na zo’n gesprek, die film van Ingmar Bergman over twee kinderen uit een ooit gelukkige familie die opgescheept worden met een gruwelijke dominee als stiefvader. Natuurlijk was dat ook weer overdreven. De NRC-_redactie heeft deze ellende immers voor een groot deel over zichzelf afgeroepen. Het algemene gejuich waarmee het ‘krantengenie’ Peter Vandermeersch ruim twee jaar geleden werd binnengehaald – met de reserves van slechts een enkeling – klinkt me nog in de oren. En het blijft een raadsel waarom de redactie van _NRC Handelsblad, een krant die toch een stel uitstekende economische speurneuzen in dienst heeft, ooit het vertrouwen heeft kunnen uitspreken in beleggingsmaatschappij Egeria. Dacht de _NRC-_redactie nu werkelijk dat deze flitsbelegger hiervoor een zogenaamd ‘evergreenfonds’ gebruikte: een fonds zonder de gebruikelijke verkooplust na een jaar of vijf?

In de dagen van de overname verspreidden NRC-_redacteuren zelf verhalen dat Egeria was opgezet met het waardige familiekapitaal van de Brenninkmeijers van C Er zou geen sprake zijn van sprinkhaan­praktijken, zoals de krant eerder had meegemaakt onder de Britse belegger Apax. Birgit Donker, de toenmalige hoofdredacteur, toonde zich ‘opgelucht en opgetogen’ toen de overname eind december 2009 rond was. De eerste verstoring van de droom was een ingezonden brief namens de familie Brenninkmeijer, die meldde dat ze geen geld had gestoken in het Egeria-fonds (nummer III) waarmee _NRC was gekocht.

Het zou bovendien onrechtvaardig zijn alle hoofdrolspelers bij de NRC als halve duivels af te schilderen. Voor alle dagbladen zijn het zware tijden. Veranderingen zijn onvermijdelijk, zowel inhoudelijk als ook in de presentatie en in de toepassing van nieuwe, digitale technieken. Soms zijn grote ingrepen noodzakelijk. We moeten alleen wel bedenken dat NRC Handelsblad absoluut niet van de rand van de afgrond hoefde te worden weggetrokken. Het was – en is – nog altijd een winstgevend bedrijf. De grote kostenbesparingen van de afgelopen jaren dienden enkel en alleen om die winsten voor de aandeelhouders nog verder op te krikken, niet om te investeren in de krant.

Iedere goede kranteneigenaar – lees de memoires en biografieën van de Britse en Amerikaanse krantentycoons er maar op na – beseft echter de broosheid van een krantencultuur, erkent het altijd aanwezige spanningsveld tussen redactionele en commerciële belangen en gaat daar gewetensvol mee om. Het gaat daarbij niet om de lange tenen van de redactie, maar om een principe dat essentieel is voor een goed functionerende democratie: dat van een vrije, onafhankelijke pers.

Ik voel me niet vrij om alles hier op te schrijven wat ik de afgelopen tijd over de NRC heb gehoord. Sommige dingen heb ik enkel ‘van horen zeggen’ – al wezen alle verhalen op eenzelfde patroon. Maar één ding weet ik wel: de snelle stijl van Derk Sauer, Peter Visser en Peter Vandermeersch en de rijke traditie van NRC Handelsblad passen niet bij elkaar, het is een diep ongelukkig huwelijk. En zoals dat gaat bij een vechthuwelijk: voor de toeschouwers is het gênant om aan te zien, voor de kinderen is het ’t ergst om mee te maken. Daarom zou ik zeggen: ga als volwassen mensen uit elkaar, afzonderlijk zijn jullie alles wat je wilt zijn – maar de combinatie werkt niet, jullie passen domweg niet bij elkaar.

Peter Vandermeersch was als hoofdredacteur binnengehaald om NRC Handelsblad aan een nieuwe dynamiek te helpen. Die dynamiek is er gekomen, meer dan. Much ado – maar: about what? Steeds meer lezers houden het voor gezien. Het bedrijf pocht met een wonderbaarlijke stijging van het aantal abonnees, maar niets is rekbaarder dan abonnee­cijfers. Alles wordt meegeteld: weekendabonnementen, proef­abonnementen, digitale abonnees, nieuwe lezers die als ‘koopjesjagers’ zijn gekomen omdat ze goedkoop een iPad kregen en de krant erbij op de koop toe namen. Intussen hoor ik, na een jaar van onvrede en verbijstering, overal om me heen hetzelfde: ‘Ga jij al opzeggen?’, ‘Ik heb de brief al geschreven’, ‘Die Volkskrant is toch niet zo slecht…’ En dat zijn stuk voor stuk abonnees die de krant al sinds hun achttiende lezen en die vast van plan waren dat tot hun negentigste te blijven doen, zonder dat daarvoor ooit iPads of andere lokkertjes nodig waren. De harde kern van het abonneebestand begint weg te smelten.

Binnen de krant hebben zich onder het huidige bewind grofweg drie stromingen ontwikkeld. In de eerste plaats is er the old school: een nog altijd omvangrijke groep redacteuren die hecht aan de ­traditionele ­Angelsaksische succesformule van de krant – nieuws en duiding, ­scheiding van feiten en meningen, ‘all the news…’. In de tweede plaats zijn er de ‘jonge honden’ van Rob Wijnberg en nrc.next, die originaliteit en ­eigenzinnigheid hoog in het vaandel hebben staan. In de derde plaats zijn er de ­‘modernen’: een groep die ‘NRC Classic’ te rationeel vindt en meer menselijkheid en emotie aan de kolommen wil toevoegen, met ­lunchinterviews, columns over echtscheidingsleed, een apart katern _Mens _op dinsdag en andere luchtigheid. Het ‘persoonlijke’ stuk over prins Friso was dan ook geen toevallige misgreep, het paste eveneens in die lijn.

Door deze affaire – plus een lange reeks interne incidenten – en door de tactloze wijze waarop de afgelopen tijd is omgesprongen met journalistieke talenten als Rob Wijnberg en Jannetje Koelewijn, heeft hoofd­redacteur Vandermeersch nu kans gezien om het vertrouwen te verspelen van alledrie de geledingen binnen zijn redactie. En dan druk ik me zacht uit. Openlijk speculeren redacteuren over zijn vertrek, binnenkort of over enkele maanden.

Als ik Visser en Sauer was, zou ik pijlsnel mijn geld terugtrekken uit de NRC. Ze hebben niets te zoeken in een bedrijf dat enkel beschaafde winstmarges zou mogen nastreven en dat de rest van zijn geld in het product moet steken, zeker in deze tijden. Laat Visser een matrassenfabriek uitzoeken, of een Braziliaanse zilvermijn, als hij zo verslaafd is aan extreme winsten. Laat Sauer voor zijn dromen en ambities een ander gezelschap zoeken. En wat de gefortuneerde families van Nederland betreft – de Van Puijenbroeks, de pensioenbeheerders van Ahold en Heijn, degenen die hun vermogens laten groeien bij Van Lanschot: moet dat nu zo? Schuilt er dan geen greintje gevoel voor burgerschap, fatsoen en traditie meer in uw gelederen? Moet u nu echt, om wille van een handvol zilverlingen, ook een prachtkrant als NRC Handelsblad naar de filistijnen helpen? Is het nooit genoeg?

‘Ik teken het gezicht van de tijd’, schreef de legendarische schrijver/journalist Joseph Roth ooit. ‘Dat is de opgave van een grote krant.’ NRC Handelsblad staat in die traditie, en de krant heeft nog alles in zich om die voort te zetten. Er zijn volop mogelijkheden om deze fase af te sluiten – met medeneming van de zinnige vernieuwing die intussen ook hier en daar heeft plaatsgevonden, laten we dat niet vergeten. De meeste lezers zijn nog trouw, er is nog altijd een overvloed aan ervaring om de krant in rustiger vaarwater te loodsen, het talent is er nog steeds om opnieuw de kwaliteitskrant te maken die NRC Handelsblad ooit was. Nog steeds kan mijn krant meetekenen aan ‘het gezicht van de tijd’.

Nog steeds, ja. Maar 2014 nadert snel.


Lees hier de open brief aan Geert Mak van Peter Vandermeersch